In bijna elke opera opdraven voor de orgie

Staand, liggend, hangend, rennend, ingesnoerd: in het operakoor zingen ‘de avonturiers onder de koorzangers’.

Foto Andreas Terlaak

Dirigent Ching-Lien Wu boent met haar rechtervuist haar linker handpalm. „Wrijf de eerste lettergreep erin, anders verstaat niemand dit woord”, zegt ze tegen de bassen. „Dus geen merveilleux, maar MMMerveilleux.” In het halfronde atrium van het Amsterdamse Muziektheater repeteert het operakoor Offenbachs Les Contes d’Hoffmann. Veel mannen onder de ruim vijftig zangers moeten even omschakelen. Gisteravond speelden ze zombie-achtige soldaten in Schönbergs Gurre-Lieder, nu kruipen ze in de huid van vrolijke kroegtijgers.

Je suis la bière”, zingen de tenoren.

Je suis le vin”, antwoorden de bassen.

„Bier en wijn, jullie komen hier drinken”, zegt dirigent Ching-Lien Wu. „Ik wil meer twinkeling in die stemmen horen.”

Hier, bij De Nationale Opera, belanden de avonturiers onder de koorzangers. Nooit staan ze strak en getrapt in het gelid met een partituur voor hun neus. Vaker tarten ze de wetten van de zwaartekracht. In Wagners Lohengrin zongen ze metershoog op een schriel ogende stoel, hangend in de wand. En onlangs moesten ze in Das Floss der Medusa de complexe, atonale taal van Henze zingen terwijl het podium onder hen golvende bewegingen maakte en zijzelf met strakke gordels vastgegespt in een stoel zaten.

„We hebben de reputatie dat hier alles kan”, vertelt zanger Inez Hafkamp (54), die al bijna dertig jaar in het DNO-koor zingt. „Veel regisseurs zoeken de grenzen op. Ik herinner me Alice in Wonderland in Carré, waarbij we als schaakstukken verkleed in schuimrubberen pakken voortschreden over een groot speelbord met velden van één vierkante meter die konden scharnieren. Daaronder zat een gat van twee meter diep. Plotseling verdween de voorste sopraan, opgeslokt door de vloer. In shock liepen we verder. Even later zagen we haar via de zijkant weer opkomen. Het kostuum had haar val gebroken. Soms horen we in het decor een knal die er niet hoort te zijn. Dan schiet onwillekeurig de gedachte door je heen: gaat er nu iets naar beneden komen? Maar intussen wel gewoon doorgaan hè.”

Onversterkt en op volle kracht

Want zingen doet het koor: staand, zittend, liggend, hangend, rennend, vechtend, in alle standen. De strak ingesnoerde soldaten in de Gurre-Lieder sterven en verrijzen in slow motion, en ze moeten met al die aangespannen spieren – ook nodig als stemsteun – onversterkt en op volle kracht de noten zuiver de immense zaal in laten zweven.

Niet iedereen kan of wil dat, weet Hafkamp. „De opera huisvest per definitie extraverte karakters. Lichamelijkheid hoort erbij. We zitten vaak bij elkaar op schoot. In de laatste jaren moesten we in bijna elke opera wel opdraven voor een orgie. Wie dan angst of weerzin voelt, redt het niet. In een oratoriumkoor kun je prachtig zingen met een wildvreemde naast je. Maar ons métier vraagt meer: een onderlinge vertrouwensband. Bovendien kennen wij niet het ritme van repetitie, naar huis en concert. Bij veel opera’s zitten er uren tussen onze optredens. Die tijd brengen we met elkaar door in de kantine. Hoe hecht deze groep is, merk je als er iets misgaat in een voorstelling. Bij Wagners Fliegende Holländer ging een heftoneel met een zwart doek ervoor niet omhoog. In zo’n geval is er geen tijd voor overleg. De beslissing bleek secondewerk. Instinctief kropen we met alle vrouwen onder het gordijn door. En aan de andere kant ervan anticipeerden de mannen naadloos op ons. Alsof de regie het zo had bedacht. Op zulke magische momenten wordt ons duidelijk dat we één gezamenlijke taal hebben ontwikkeld.”

De trailer van de Gurre-Lieder door De Nationale Opera.

Zelf zo’n besluit nemen, blijft een uitzondering. Normaal gesproken is het koor een veelstemmig instrument zonder eigen wil, bespeeld door de regie en dirigenten, aangekleed door kostuumontwerpers, bewegend langs de lijnen van de choreograaf en zingend langs de meetlat van de taalcoach. „Soms krijg je na afloop van een repetitie bezoek van acht mensen die het allemaal net iets anders willen”, vertelt Hafkamp. „In dit vak dragen anderen ons op wat wij moeten doen. Koorleden worden niet geacht zelf ideeën te opperen. Wij zijn de raderen in een ingenieus uurwerk, niet de horlogemakers.”

Veel zangers hier droomden eens van het solistenbestaan. Hafkamp ook. In Antwerpen kreeg ze haar kans, maar ze verdroeg de eenzaamheid niet. „Het reizen naar de repetities was wel te doen. Het zwaarste bleken de voorstellingen. In die periode mochten we niet weg, dus dan zat ik ook de lege dagen in Antwerpen. Een oppas ontfermde zich over onze kinderen. Steeds vaker bekroop me de vraag: ‘Wat doe ik hier?’ Het leven begon me te bevreemden. Bij het DNO-koor vond ik daarna een mooi thuis: een vaste plek, werken met goede regisseurs en dirigenten, en soms een solorol, zoals een van de nonnen in Poulencs Dialogues de Carmélites.”

Tenor Thomas de Bruijn (29) bevindt zich wat dat betreft op een tweesprong. Als freelancer zingt hij momenteel in het DNO-koor, en misschien lonkt ook voor hem een vaste baan. „Dit koor is een betrekkelijk anoniem maar warm bad in een groot operahuis, dat internationaal voorop loopt als het gaat om vernieuwing. Aan de andere kant lokken de roemrijke vruchten van het harde en ego-gedreven solistenbestaan. Een keus tussen de leeuwenkuil en de gouden kooi.”

Wanneer De Bruijn zich als solist wil ontwikkelen, moet hij naar het buitenland, waar veel theaters – in tegenstelling tot De Nationale Opera – werken met een groep vaste zangers. Die zijn nodig omdat deze huizen soms wel dertig verschillende opera’s per jaar op het toneel brengen – veelal oude ensceneringen die met een paar repetitiedagen worden opgepoetst. Daar krijgen talenten kans om in korte tijd veel rollen in te studeren. Duitsland kent zo’n netwerk van vooral kleine stadstheaters, die een ideale leerschool zijn en een opstap kunnen vormen. Schaduwzijde ervan is de moordende concurrentie en weinig onderlinge solidariteit. Wie een slechte dag heeft, hoeft niet op genade te rekenen.”

Foto’s Andreas Terlaak

De Bruijn deed al wat ontnuchterende ervaringen op met audities in het buitenland. „Vorige zomer was ik in Parijs, waar de opera koorzangers zocht. Daar stonden zestig tenoren zich te verdringen in de gang. Dat was bizar. Je zingt je aria, je wordt bedankt, en dan wegwezen, u hoort van ons. Ik behoor tot een beschermd opgegroeide generatie. Dan is de operawereld wennen. Daarin word je vaker afgewezen dan toegelaten. En dat is meestal heel persoonlijk, want die stem, dat ben ik. En soms is het een loterij: zing je de sterren van de hemel, heeft de regisseur bedacht dat hij geen blond type wil.”

Als een brugpieper

Dit jaar draaide De Bruijn voor het eerst als freelancer een volledig seizoen mee in Amsterdam. En hoe wonderlijk fris het DNO-koor ook klinkt, de meeste vaste zangers zijn de vijftig al ruim gepasseerd. „Toen ik voor het eerst dit atrium binnenliep, voelde ik me als een brugpieper die met zijn rugzakje verzeild raakt in een 6vwo-klas. Ik kreeg het idee dat iedereen dacht: ‘Daar heb je er weer één.’ Maar dit koor neemt zangers snel op. Dat is een van zijn krachten, denk ik. Iedereen kent zijn eigen geluid, en toch komt daaruit een homogene klank voort. Wanneer je op de bühne staat, te midden van al die stemmen, kun je in vervoering raken. Die emotie doet me denken aan een regel die we als stervende soldaten zingen in de Gurre-Lieder: ‘Das Leben kommt mit Macht und Glanz.’ Het bestaan komt met macht en schittering, met daden en kloppende harten.”

Lees ook het interview met operaregisseur Lotte de Beer, die de Toverfluit van Mozart wil aanpassen: ‘Halverwege dacht ik: wat stáát hier in godsnaam?’

Hoe vernuftig het raderwerk van het koor in elkaar grijpt, blijkt aan het slot van de repetitie, wanneer dirigent Ching-Lien Wu afsluit met de ‘Barcarolle’ uit Les contes d’Hoffmann. De zachte kus van het water in de kanalen van Venetië lijkt bijna voelbaar in het gondelierslied. De zangeressen laten het ‘Belle nuit, ô nuit d’amour’ wellustig door het atrium golven. Op haar draaistoel dirigeert Ching-Lien Wu met een brede glimlach. Even zweven de stemmen vrij in de ruimte. Morgen zal ze weer verder hameren op de techniek. „Bij de eerste repetities vertaal ik de emotie in bijna wiskundige termen, zodat er geen misverstanden kunnen ontstaan over wat ik wil horen. Pas later komen de metaforen, praten we over het hoe en waarom, wat de woorden uitdrukken. Het gaat laag voor laag. We beginnen met de grondverf, daarna komen de kleuren. En schilderen kan dit koor, in sprankelende tinten.”

    • Joost Galema