Recensie

Ook wie hard werkt blijft altijd de immigrant

Min Jin Lee De familiekroniek Pachinko van deze Koreaans-Amerikaanse schrijfster geeft het lot van de Zainichi weer, de groep geïmmigreerde Koreanen in Japan, op wie sterk werd neergekeken. Een immigrantenverhaal vol inlevingsvermogen.

Wanneer de jonge Sunja zwanger raakt van een rijke vreemdeling, neemt haar leven een andere wending. Trouwen is geen optie, haar vijftien jaar oudere minnaar blijkt een vrouw en kinderen in Japan te hebben. Maar zonder huwelijk zullen moeder en kind in het Korea van 1932 vrijwel verdoemd zijn. Uit medeleven vraagt de jonge dominee Isak haar ten huwelijk, samen vertrekken ze naar Japan.

Zo begint de meeslepende familiekroniek Pachinko van Min Jin Lee (1968), een Amerikaanse schrijfster van Koreaanse komaf. Rechttoe-rechtaan vertelt ze het levensverhaal van Sunja en haar familie, en daarmee de geschiedenis van de Zainichi, de Koreanen in Japan in de twintigste eeuw. Korea was van 1910 tot het einde van de Tweede Wereldoorlog een Japanse kolonie. Honderdduizenden Koreanen maakten in die tijd de oversteek, hopend op een beter leven. Maar ter plekke werd er vreselijk op hen neergekeken. Ze woonden in sloppenwijken, hadden de vervelendste baantjes tegen slechte betaling.

Lee beschrijft de immigranten met veel inlevingsvermogen. Sunja, haar moeder en haar schoonzusje komen goed uit de verf: ze zijn de steunpilaren van hun gezin, waardoor de familie in redelijk goeden doen raakt. Ook de overige personages, van de arme hulpjes in het pension van Sunja’s moeder tot de rijke Hansu, Sunja’s vroegere minnaar die een gelikte gangster blijkt te zijn, beschrijft Lee zo dat ze niet al te rechtlijnig zijn, al kan ze daar ook niet helemaal aan ontkomen.

De Japanners komen er minder goed vanaf. Dat is begrijpelijk, gezien het uitgangspunt van de Zainichi; het is niet niks om te moeten vechten tegen bestaande vooroordelen en niet officieel te worden geaccepteerd – met de onafhankelijkheid van Korea na de oorlog verloren de Zainichi hun status van Japans onderdaan. Dat leidt ertoe dat Sunja’s kleinzoon, wiens vader zelfs nooit in Korea is geweest, decennia later nog iedere drie jaar een verblijfsvergunning moet aanvragen om in nota bene zijn land van geboorte te kunnen blijven.

Elk personage worstelt met persoonlijke conflicten. De angst om niet te worden geaccepteerd is voor Noa, Sunja’s oudste zoon, de reden om zijn identiteit volledig te ontkennen en door het leven te gaan als Japanner. Ook haar tweede zoon kampt met het gebrek aan acceptatie. Al beheert hij op eerlijke wijze en met veel mededogen voor zijn werknemers zijn eigen pachinkohal, een soort gokhal die vaak door Koreanen werd gerund, de maatschappij blijft neerkijken op hem als pachinkobaas én als Koreaan.

Desondanks was terugkeren naar het land van de voorouders voor de meesten ook geen optie: na de oorlog werd Korea opgedeeld tussen de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten, in 1948 verdeeld in Noord- en Zuid-Korea, en van 1950-1953 was het land in oorlog. Daarna gold voor de kinderen: wat moet je in een land dat je nooit hebt gekend?

Via Sunja en haar familieleden laat Lee de zorgen en angsten zien die immigranten in het algemeen treffen. Het is voor hen lastiger dan gemiddeld om een bestaan op te bouwen en om te worden geaccepteerd. En het is moeilijk je van je wortels los te maken.

    • Silvia Marijnissen