Oer-IJslanders waren ook weer niet zó Scandinavisch

Genetica

Uit DNA-onderzoek aan 27 oude genomen blijkt dat de eerste bewoners van IJsland voor zo’n 45 procent van Brits-Ierse afkomst waren.

Skelet van een IJslandse vrouw uit het pre-Christelijke tijdperk, vóór het jaar 1.000. Foto Ivar Brynjolfsson/The National Museum of Iceland

Uit onderzoek aan het paleo-DNA van de eerste bewoners van IJsland – van voor het jaar 1.000 – blijkt dat die maar voor ongeveer 55 procent een Scandinavische afkomst hadden. Nog minder dan al werd gedacht. Dat blijkt uit onderzoek aan het DNA van in totaal 27 ‘oer-IJslanders’, vrijdag gepubliceerd in Science. Een paar skeletten hadden duidelijk Iers-Brits óf Scandinavische DNA-signatuur, maar de meeste andere kolonisten waren al van meer of minder gemengde afkomst. Uit isotoop-analyse van de botten kon worden afgeleid dat de meesten op IJsland waren geboren, vijf kwamen van elders.

IJsland werd door Europeanen gekoloniseerd in de periode 870 en 930 na Chr., als onbewoond eiland. Rond 800 zouden er nog wel wat Ierse monniken hebben gewoond. Maar pas jaren daarna zou de Faroër-viking Naddod het eiland als eerste hebben ‘ontdekt’. Naddod zag er ook ‘bergen die rookten’, de beroemde IJslandse vulkanen. De uit Denemarken afkomstige Gardar Svavarsson vestigde zich rond 870 als eerste in IJsland, nadat hij op weg naar de Hebriden uit koers was geslagen. Eerst werd altijd gedacht dat zich daarna alleen Scandinavische vikingen vestigden op het eiland. Maar begin deze eeuw bleek uit DNA-onderzoek van de huidige IJslandse bevolking dat die voor ongeveer 30 procent een Brits-Ierse afkomst had, waarschijnlijk dankzij slaven die de vikingen meenamen naar hun nieuwe woongebied.

Meer mannen dan vrouwen

Dat het aandeel van de Brits-Ierse afkomst is afgenomen in de loop van het ruim duizendjarige bestaan van de IJslandse bevolking, kan er op wijzen dat de afkomst medebepalend was voor het voortplantingssucces: de slaven kregen minder kinderen. Maar het kan ook zijn ontstaan door de latere immigratie uit vooral Denemarken, dat tussen 1380 en 1944 het bestuur over het eiland voerde.

De onderzoekers, de meeste verbonden aan het IJslandse gen-bedrijf deCODE Genetics, keken in de 27 oude genomen naar een paar honderdduizend minieme genetische verschillen, de SNP’s (single nucleotide polymorphism). Uit de samenhang tussen al die variaties kan de afkomst worden afgeleid. Ze vonden overigens óók een opvallende chromosoomafwijking. Want van 26 oude IJslanders was gemakkelijk het geslacht vast te stellen, 19 bleken mannelijk. Maar bij één viel dat niet mee, totdat de genetici zich realiseerde dat dit nog niet volwassen kind leed aan het Klinefeltersyndroom, waarbij je twee vrouwelijke X-chromosoom hebt én een Y-chromosoom. Het lichaam is dan mannelijk maar het extra X-chromosoom laat wel sporen achter: vaak dunnere armen en benen, met minder spiermassa en taal- en concentratieproblemen. Waarom in de oude graven meer mannen dan vrouwen werden gevonden, is onduidelijk.

Een andere opvallende conclusie is dat de eerste kolonisten meer lijken op huidige Britten, Ieren en Scandinaviërs dan de huidige IJslanders. Dat is goed te verklaren omdat deze grote bevolkingsgroepen relatief weinig veranderd zijn, maar de kleine, geïsoleerde IJsland-populatie door toevallige factoren in de loop der eeuwen flink kan veranderen (genetic drift).

    • Hendrik Spiering