Mienskip

De stad uit (18)

Veel Amsterdammers denken er stiekem weleens over na: de stad uit, weg van de drukte. Journalist en radiomaker Petra Possel (54) deed het. Na 30 jaar Amsterdam verhuisde ze naar een klein dorpje in Friesland. In NRC brengt ze regelmatig verslag uit.

In Friesland gaat het de hele tijd over mienskip, gemeenschap. Dan gaat het niet om een lekker potje vrijen, maar om ‘de’ gemeenschap of nog nauwkeuriger: het gemeenschapsgevoel. Het gemeenschapsgevoel is sterk in Friesland, sommigen zeggen ‘het sterkst van alle Nederlandse provincies’ vanwege de eigen, Friese taal. Volgens mij is dat niet wetenschappelijk bewezen, het is net zoiets als gevoelstemperatuur. Hoe dan ook, het leeft sterk en het betekent dat mensen om elkaar geven, op elkaar toezien. Mienskip is ook de slogan van Leeuwarden Culturele Hoofdstad 2018: iepen mienskip, open gemeenschap.

Mijn dorpje is een mienskip, een iepen mienskip, want ik hóórde er niet bij, maar ik mocht er wel bij. Daarvoor hoefde ik geen inburgeringsexamen te doen, er werd wel verwacht dat ik de deur open deed als er aangebeld werd.

Laatst ging de bel. Of eigenlijk: er werd woest op de achterdeur gebonkt, ik was vergeten het tuinhek af te sluiten. Samen met vrienden zaten we aan tafel, de derde gang was net opgediend, de derde fles wijn net ontkurkt. Ontredderd stond de buurvrouw, een vrouw van nog geen veertig jaar, in de keuken en smeekte om haar naar het ziekenhuis in Sneek te brengen. Haar man was plotseling ziek geworden, de doktersdienst had een ambulance gestuurd, maar die was onverrichterzake vertrokken. Het was geen gevalletje spoed, volgens de broeders. Maar nu was de buurvrouw in paniek, haar man kermde het uit, ze moest pijnstillers van het stevige soort hebben, de apotheek was dicht en een rijbewijs had ze niet. De nieuwe man, hij had nog niet diep in het glaasje gekeken die avond, besloot zijn diensten aan te bieden en samen reden ze naar het ziekenhuis. De volgende ochtend, we zaten nog maar net met de vrienden aan het ontbijt, ging de bel. De buurvrouw. De situatie was onhoudbaar, haar man moest met spoed naar het ziekenhuis. Nogal nuffig stelde ik een paar controlevragen, de buurvrouw maakte een licht verwarde en sterk verhitte indruk en we zaten net lekker aan het ontbijt. En blijkbaar vond de doktersdienst het deze keer niet eens de moeite om polshoogte te komen nemen. Maar de nieuwe man, gezegend met meer mienskip dan ik, schoot een fatsoenlijke broek aan en bracht de buurman naar het ziekenhuis. Hij bleek een flinke blindedarmontsteking te hebben en moest subiet geopereerd worden.

’s Avonds, alle gasten keerden huiswaarts en ik was weer alleen, overdacht ik mijn zonden. Ik beloofde mezelf – en vooral mijn dorpsgenoten – gastvrijer te zijn, dichterbij, hulpvaardiger, belangstellender. Ik beloofde mijn stadse juk van gesublimeerde desinteresse af te gooien en een beter mens te worden.

    • Petra Possel