Foto Frank Ruiter

‘Halverwege Die Zauberflöte dacht ik: wat stáát hier in godsnaam?’

Opera Lotte de Beer (36) regisseert opera’s van Wenen tot New York. Nu wil ze een alternatieve versie van Mozarts Zauberflöte opvoeren: eentje zonder racisme, kolonialisme en seksisme.

Ze moest en zou opera-zangeres worden. Lotte de Beer (36) zag La Traviata van Verdi en wist: „Dit wil ik.”

Hoe oud was je?

„Zeven.”

Waarom geen dirigent? Violist?

„Die mevrouw op het podium had een mooie jurk aan.”

Je wilde zingen?

„Zangers mogen pas vanaf hun zestiende naar het conservatorium, als hun stem volgroeid is. Dat wist ik. Ik moest iets verzinnen om eerder op de vooropleiding van het conservatorium te komen. Vanaf dat moment ben ik heel serieus piano gaan studeren.”

Hoe oud was je toen?

„Tien.”

Ze wordt „op pure wilskracht” toegelaten op de middelbare school waar ze vwo én conservatorium kan doen. „Ik wist echt wel dat er geen groot pianist in mij zat.” En, zegt ze, ook geen operazangeres. „Van al die zangtechniek ging ik vals zingen. Door de puberteit kreeg mijn stem iets hezigs. Ik was zo overbewust van mezelf dat ik verkrampte.”

Haar stemgeluid is helder, melodieus en verlevendigt de kale, witte ruimte waar we zitten, een vergaderkamer in de Stopera, het gebouw van Nationale Opera & Ballet in Amsterdam. Op tafel lege plastic bekertjes en thermoskannen, aan het plafond flikkerende tl-buizen die na een half uur vanzelf uitgaan. Dooft het licht, dan springt ze op en klapt in haar handen tot de lichten aangaan. „Zo”, zegt ze en gaat weer zitten. Strijkt haar lange krullen uit haar gezicht, schikt haar korte bloemenrok.

Geen operazangeres dus?

„Nee. Ik was niet goed genoeg. Ik heb het nog even geprobeerd op het conservatorium in Den Haag, maar instinctief wist ik dat mijn ambitie groter was dan mijn talent aankon.”

Je probeerde het als actrice?

„Ik wilde die wereld in, dat gevoel was zo sterk. De fantasiewereld op een podium. Ik deed – heel open en naïef – auditie voor de Toneelschool Maastricht en werd nog aangenomen ook. Verschrikkelijk. Zo’n eerste jaar is zwemmen of verdrinken. Ik ging meteen kopje onder. Ik ben geen performer. Je stem, je lichaam, dat bén jij en daar gaan andere mensen wat van vinden. Ze zeggen ‘je praat heel raar’ of ‘je gebruikt je buikspieren verkeerd’. Ik verkrampte weer.”

Geen zangeres, geen actrice. Dus wat dan?

„Een docent had me tijdens een toneelles aanwijzingen zien geven aan een groepje studenten. Hij zei: wat je daar deed, dat is ook iets hè. Dat heet regisseren.”

Ze slaakt een zangerige kreet. „Aaah, dát was het. Repeteren vond ik fantastisch, optreden vond ik mwaah. Laat regisseren nou een beroep zijn waarbij je altijd repeteert.”

Lotte de Beer was nog maar net afgestudeerd als operaregisseur of ze werd, in 2009, verkozen tot grootste regietalent van Nederland. Zes jaar later won ze een internationale operaprijs, als newcomer. The New York Times prees haar toen als dé ‘rising young German director’. Nou is ze geen Duitse, ook al woont ze in Bochum en Berlijn met haar vriend, de Amerikaanse dirigent Steven Sloane, zijn kinderen, en hun dochter Eliza van zeven maanden. Zij is Nederlandse en woont óók in Amsterdam. „Wat thuis is, weet ik niet meer. Ik ben een zwerfkat.” Haar dochter reist met haar – en een nanny – de wereld over. „Arm kind. Ze is elke week in een ander land. Soms zelfs elke dag. En er wordt Engels, Nederlands, Duits en Hebreeuws tegen haar gesproken.”

Ze vragen zich af wat dat meisje komt doen

Lotte de Beer

Dat rising, dat klopt wel. Lotte de Beer debuteerde als eerste Nederlandse regisseur ooit in het operahuis van München. Ze wordt gevraagd van Wenen tot New York. Ze telt op haar vingers hoeveel opera’s ze tussen nu en drie jaar zal regisseren. „Zeven, plus nog die in Leipzig, plus vijf…” Ze raakt de tel kwijt. „Ik was altijd aan het werk. Zestien uur per dag minstens. Maar met Eliza heb ik er twee fulltimebanen bij. Dag én nacht.”

Ze is nu in Amsterdam voor twee grote klussen. Voor De Nationale Opera regisseert ze De barbier van Sevilla van Rossini en daarnaast wil ze met haar zelf opgerichte „clubje” Operafront een alternatieve versie van Die Zauberflöte opvoeren: eentje zonder racisme, kolonialisme en seksisme.

Vertel…

Ze lacht. „Voor een Weens theater zou ik Die Zauberflöte doen. Bekende opera van Mozart, prominent operahuis, het gebouw is ooit betaald met de eerste opbrengsten van die opera. Ik ken het stuk, natuurlijk. Maar als ik zelf regisseer, wil ik elke noot, elk woord begrijpen. Dus ik lees het libretto…”

Auf Deutsch?

„Ja, in het Duits. En halverwege denk ik: wat stáát hier in godsnaam. Zinnetjes van: ‘vrouwen kletsen veel, maar zeggen weinig.’ Of: ‘Een goede vrouw onderwerpt zich aan een wijs man’. Tegen het enige zwarte personage: ‘Jouw ziel is net zo zwart als je gezicht’. En dan dat einde, zogenaamd een happy end, maar niet voordat de zwarte Monostatos en de drie ‘ouwe wijven’ in de hel gestort zijn.”

„En wanneer ontdekte je dit?

„In 2014, zoiets.”

Dus nog vóór de discussie over Zwarte Piet, vóór ‘black face’ en #MeToo?

„Ja. Er gebeurde ook nog wat anders.”

Foto Frank Ruiter

Vorig jaar werd haar opera Caliban opgevoerd. De opera was gebaseerd op De Storm van Shakespeare. Jonge slaaf vecht tegen onderdrukking. Hij wordt bevrijd en wil wraak nemen, maar wordt dan opnieuw gevangen. „Ik was trots op het resultaat. Tot iemand na de voorstelling tegen me zei: weet je wel dat iemand heel boos is op je? Een vrouw, een actrice, vond het stuk racistisch. Ik bevestigde met deze Caliban álle clichés over domme, dronken slaven.”

Dat vond zij?

„Ik zei: maar dat is toch Shakespeare die het zegt, niet ik? Zij vond het raar dat ik die tekst klakkeloos volgde. En toen ging ik nadenken. Ik had het geregisseerd zonder ook maar iets te begrijpen van wat kolonialisme is.”

Was je niet beledigd?

„Ik schaamde me dood. Zo’n fout wilde ik niet nog een keer maken. Met Die Zauberflöte pakte ik het heel anders aan. De vrouwenhaat, het racisme moet je in de tijd zien, het stuk is uit 1791. Het is de schaduwkant van onze Westerse cultuur: dit zijn wij ook. Of liever: zo waren we. Dat ben ik gaan thematiseren. En zo ben ik mijn regievoorstel voor Die Zauberflöte gaan presenteren bij dat Weense theater…

Welk theater was dat?

„Ik heb afgesproken dat niet te vertellen.”

Want het liep niet goed af?

„Na de eerste zin werd ik onderbroken: ‘Junge Dame…’ De dirigent, op belerende toon. Ik wist niets van het stuk. Hoe dúrfde ik… Kortom, ik ben ontslagen. Ik mocht het niet doen.”

Nu gaat ze alsnog, in eigen beheer, een nieuwe, radicalere versie van de opera laten uitvoeren in Amsterdam.

Student en schrijver Eva Peek steunde de nieuwe versie van Die Zauberflöte van Lotte de Beer. In een opiniestuk schreef ze: ‘Gun Mozart toch een beter libretto dan die racistische Toverfluit’

Mag dat eigenlijk? De tekst en de muziek van een bekende opera zo omgooien?

„Tuurlijk mag dat. Bij toneel gebeurt niet anders.”

Maar bij opera niet?

„Opera is een superingewikkeld genre. Het is muziek, beeld én tekst. Het is de oudste kunstvorm én verschrikkelijk duur. Je zegt niet: we experimenteren even, oeps mislukt. Dat kost tónnen.”

Maar toch experimenteer jij.

„Bij De barbier van Sevilla heb ik gevraagd of ik voor de officiële repetitie begint, eerst een paar dagen kan workshoppen met een groepje jonge zangers. Als alles nog open ligt, met elkaar praten, uitproberen, kijken of het werkt wat ik heb bedacht. Een beetje zoals het bij musicals gaat. Tijd is mijn materiaal. Ik moet het hebben van de tijd die ik met mensen doorbreng in een repetitielokaal.”

Heb jij zeggenschap over welke zangers er komen zingen in ‘jouw’ opera?

„Soms. Soms zegt het operahuis: dit is onze keuze. Het is natuurlijk een krankzinnig genre, voor sommige rollen zijn zulke specifieke stemmen nodig, dat kunnen maar vijf mensen op de wereld.”

Maar jij moet toch van tevoren weten wat iemand kan?

„Soms frustreert dat me. Dan zit ik een jaar van tevoren heel klungelig op YouTube filmpjes te kijken wat voor vlees ik in de kuip krijg.”

Moeten zangers kunnen acteren?

„O ja! Zang staat natuurlijk op één. Maar op twee komt voor mij: acteren. Pas na een hele tijd komt op drie: typecasting. Wat acteren is, weet niet iedereen in de operawereld. Soms oppert het huis een zangeres. Dan vraag ik: kan ze acteren? Zeggen ze: ja, ze is mooi. Jong. En dun. Wat héb ik daaraan? Acteren is een vak.”

En dan beginnen de repetities…

„Zeven, zes, soms vijf weken van tevoren komt iedereen samen. Iedereen kent de muziek, de zangers hun tekst, ik weet tot op de maat precies wat ik van iedereen wil. En als ik geluk heb, gaat het vanaf maat twee al anders dan ik in mijn hoofd had. Het voelt alsof ik weer met mijn poppen speel: dan was jij die, en ik die en dan gingen we… Ik woonde vroeger in een dorpje waar meer koeien dan mensen woonden. Ik had weinig aansluiting met andere kinderen, maar godzijdank had ik mijn fantasie en mijn liefde voor opera. In het bos speelde ik La Traviata na, met twee hartsvriendinnen en pony’s.”

Zo mogelijk het beroemdste lied uit Verdi’s La Travista.

Van welke muziek hield je nog meer?

„Alleen klassiek. Pas later heb ik meer respect en begrip voor andere genres gekregen. Maar het geluid van een elektrische gitaar vind ik nog steeds eng en deprimerend.”

Je vader is tandarts, je moeder arts, je jongere broer ook tandarts. Van wie heb jij je talent?

„Van mijn moeder. Ze was consultatiebureau-arts, maar was veel liever kunstenares geweest. Ze is dol op opera, zingt zelf bij een amateurgezelschap.”

En je ging naar de Vrije School?

„Mijn moeder vertelt altijd dat ze me de eerste dag dat ze me naar de peuterspeelzaal bracht, op slag zag veranderen. Ik verschool me onder een tafel en zei niets meer. Later, op de Vrije School, heb ik geleerd me in een groep te bewegen.”

Nu geef je leiding aan steeds een nieuwe groep.

„Klopt, maar ik heb niets te maken met een pikorde of wie de populairste is. Mijn positie is duidelijk, die hoef ik niet meer te bevechten.”

Ze schiet in de lach. Zo duidelijk is haar positie nou ook weer niet. „Zeker bij Duitse operahuizen zijn ze gewend aan autoritaire vijftigers als regisseur.” Die vragen zich af wat ‘dat meisje’ komt doen. Zeker toen dat meisje ook nog zwanger werd. „Ik heb lang getwijfeld of ik wel zwanger moest worden. Alleen al de gedachte dat ik niet of minder kan werken, maakt me ongelukkig.”

Maar?

„Na het conservatorium waar het niet lukte, na de toneelschool waar het mislukte, heb ik me voorgenomen nooit een beslissing te baseren op angst.”

Haar ontslag bij het Weense operahuis was, onbedoeld, perfect getimed. „Ineens was ik zes weken vrij. Ik zei: ‘nú moet het gebeuren.’” Vijf weken na de geboorte van Eliza begon haar volgende klus, de opera Il Trittico in München. „Ik heb geen dag repetitie gemist.”

Lees meer over Nationale Opera & Ballet: Het niveau is wereldtop, maar nu moeten ze nog een jonger publiek vinden.

En hoe is het om moeder én regisseur te zijn?

„Ik nam me voor me niet te laten kennen. Niet klagen. Welnee, ik ben niet moe. Tot een jongere collega zei: ‘Je bent heel anti-feministisch bezig. De omgeving moet zich aan jóu aanpassen.’”

En doet de omgeving dat?

„Laatst was een repetitie zonder mij begonnen, ik zat op een vieze wc te kolven. Was ik een man met iets aan z’n pacemaker geweest, dan had iedereen sidderend zitten wachten tot de grote meneer er weer was. Ik heb me nooit geroepen gevoeld vrouwenrechten te verdedigen. Ik had toch alle kansen, ik had zoveel geluk. Nu merk ik dat er nog veel te winnen valt. Het narratief dat moederschap niet samengaat met kunstenaar zijn, is nog intact. Je wordt weggezet als huisvrouw.”

Ze springt op. De lichten gaan als bij toverslag weer aan. Ze grist haastig jas en tas van tafel, tot elf uur vanavond heeft ze nog afspraken. Maar eerst langs de portier voor de sleutel van het kolfhok.

    • Rinskje Koelewijn