Nationale Opera & Ballet is wereldtop, nu nog een jonger publiek trekken

Opera & ballet De zalen bij de Nationale Opera & Ballet zitten (voorlopig) vol, maar het publiek is niet bepaald piepjong. „Het gevoel te mogen raken aan iets dat bijna goddelijk is. Dáár gaat het om.”

Het Nationale Ballet dabst Giselle. Foto Angela Sterling

Licht uit, zintuigen aan. De dirigent komt op en neemt zijn plaats op de bok in de orkestbak. Het doek schuift open, op het toneel zien we een groep vluchtelingen die bewijst dat de thematiek van Mozarts La clemenza di Tito van alle tijden is. Of we zien, zoals deze maand in Offenbachs Les contes d’Hoffmann, een hightech-huis van 25 meter breed. En op datzelfde podium zweven later dit jaar in Cinderella bontgekleurde ballerina’s rond, in een feeëriek bos: belichaming van de ultieme balletdroom.

Bezoekers die voor het eerst een voorstelling zien van Nationale Opera & Ballet (NO&B), ervaren een bombardement aan indrukken. Zang, dans, orkest, spel – en dat allemaal op het hoogste niveau. Maar hoe werkt zo’n enorm instituut eigenlijk? Hoe wordt ervoor gezorgd dat de zalen, nu voor 93 procent vol, over twintig jaar nog steeds gevuld zijn? Wie bepaalt wat je ziet, en waarom?

Tot voor vijftig jaar geleden kon Nederland zich niet meten met muziekcentra als Wenen, Londen of Parijs. Maar inmiddels behoort Nationale Opera & Ballet tot de wereldtop. De Nationale Opera en Het Nationale Ballet wonnen internationale prijzen, de zalen zitten vol en recent werden zelfs reality-series aan het huis gewijd: Bloed, zweet en blaren over Het Nationale Ballet, Bloed, zweet en aria’s over de Nationale Opera.

De Nationale Opera komt voort uit De Nederlandse Operastichting, opgericht in 1964. Het Nationale Ballet ontstond in 1961 uit het Amsterdams Ballet en het Nederlands Ballet en werd door de choreografen Sonia Gaskell (1961-1968), Rudi van Dantzig (1968-1991), Wayne Eagling (2001-2003) en Ted Brandsen (2003-heden) opgebouwd tot het bloeiende gezelschap dat het nu is.

Als één instelling verder

In 2013 fuseerden De Nationale Opera (DNO) en Het Nationale Ballet (HNB) met het in 1986 betrokken Amsterdamse Muziektheater tot wat nu Nationale Opera & Ballet heet. Algemeen directeur Els van der Plas: „Opera en ballet zijn en blijven natuurlijk heel verschillende kunstvormen, met een eigen identiteit en eigen uitdagingen. Maar voor zaken als planning, techniek, decors, kostuums, grime en fondsenwerving was het handig om als één instelling verder te gaan.”

De fusie bleek, hoewel niet rimpelloos, inderdaad succesvol: naamsbekendheid groeide, sponsorinkomsten verdubbelden. Advocatenkantoor Houthoff verbond zich onlangs voor drie jaar als hoofdsponsor.

Neem een kijkje achter de schermen bij Nationale Opera & Ballet: ‘Het best bewaarde geheim van decorbouw: piepschuim’

Bij veel operahuizen in het buitenland, zoals het Bolsjoi Theater in Moskou of de Beierse Staatsopera in München, is elke avond een andere ballet- of operavoorstelling te zien. Dergelijke ‘repertoiretheaters’ – er wordt geput uit een breed repertoire – tonen veel verschillende producties, die theatraal soms iets minder afgewerkt zijn. Nationale Opera & Ballet hanteert een zogeheten ‘stagione’-systeem, net als de Opéra National de Paris of het Royal Opera House in Londen. Er is elke maand grofweg één opera- en één balletproductie te zien. Voordeel: dirigent en regisseur kunnen met de zangers en de musici uitgebreid werken aan een productie. En datzelfde voordeel geldt voor ballet: steeds opnieuw ligt de focus maar op één productie.

Ook karakteristiek voor De Nationale Opera: er is wel een eigen operakoor, maar geen eigen orkest. Opera’s worden begeleid door vier wisselende symfonieorkesten. Het Nederlands Philharmonisch Orkest en Nederlands Kamerorkest doen zes producties per seizoen, Rotterdams Philharmonisch Orkest, Residentie Orkest en Koninklijk Concertgebouworkest elk één. Voor barokopera of hedendaags werk worden gespecialiseerde ensembles ingehuurd.

Het Nationale Ballet maakt eveneens gebruik van een extern ensemble, Het Balletorkest, dat ook het Nederlands Dans Theater begeleidt.

De huidige bloei van de Nationale Opera begon met het aantreden van artistiek directeur Pierre Audi (1988-2018) en zakelijk directeur Truze Lodder (1987-2013). Samen met chef-dirigenten als Hartmut Haenchen (1986-1999) en Marc Albrecht (2011-heden) bouwden zij het operahuis in dertig jaar uit tot het bijzondere gezelschap van nu: een ‘boutique opera’, klein maar fijn, met een herkenbaar, innovatief profiel.

Het Nationale Ballet bestaat uit 75 dansers en 12 jonge talenten (16 tot 21 jaar). HNB brengt een mix van klassiek-romantische choreografieën (Giselle, The Sleeping Beauty, Het Zwanenmeer) en neoklassiek, modern en nieuw werk. Een aantal wordt in eigen huis gecreëerd door gastchoreografen en Hans van Manen, het paradepaardje van het gezelschap.

Ratmansky, Wheeldon en Dawson

Elk seizoen danst HNB twee tot drie grote avondvullende klassiekers, naast drie tot vier gemengde producties met losse, eigentijdse choreografieën. Brandsen streeft ernaar het repertoire daarbij liefst ieder seizoen uit te breiden met een nieuwe, avondvullende titel door een topchoreograaf.

Zo waren er de afgelopen jaren producties te zien van onder anderen Alexei Ratmansky, Christopher Wheeldon, Forsythe, John Neumeier en David Dawson. „Wel allemaal mannen”, bekent Brandsen. „Maar dat gaat veranderen. En het besef van de noodzaak daarvan is niet voorbehouden aan ballet; in veel meer kunstdisciplines rijpt het inzicht dat we vrouwelijke makers meer in de spotlights moeten zetten.”

Hans van Manen beantwoordde zestien impertinente vragen van NRC: ‘Wanneer ik voor het laatst loog? Ik lieg zo vaak’

HNB wil graag werken met Crystal Pite, en heeft al afspraken staan met Wubkje Kuindersma en Annabelle Lopez Ochoa. Ook richt het gezelschap zich op samenwerking met de jongste generatie makers.

Brandsen: „Choreografen als Justin Peck of oud HNB-danser Juanjo Arquès tonen echt een eigen stijl. Peck heeft een frisse, Amerikaanse benadering met een soort jazzy losheid. En Juanjo heeft óók een volstrekt eigen bewegingstaal; zijn dans gaat over menselijke warmte.”

Bij opera staan de plannen voor de komende seizoenen al vast. Zangers en dirigenten hebben volle agenda’s en voor een opera in een stagione-theater als Amsterdam moeten zij twee maanden leegmaken: één om te repeteren, één voor de voorstellingen. „Soms is dat lange vooruitplannen belemmerend”, zegt Jesús Iglesias Noriega, hoofd artistieke zaken. „Dan hoor ik ergens een geweldige zanger, maar kan ik hem op korte termijn geen rol aanbieden. De laatste tijd houd ik daarom sommige rollen bewust open.”

Tot 2021 is de programmering rond, het seizoen 2020-2021 kent nog wat lacunes voor de invulling van de artistieke teams. Soms draagt de operadirecteur daartoe een idee aan, veel ontstaat in samenspraak met het hoofd artistieke zaken, de huisdramaturg of de orkesten. „Grote dirigenten als Daniele Gatti en Mariss Jansons hebben vaak duidelijke wensen, en die proberen we dan ook te honoreren”, zegt Noriega.

Roem is relatief

Noriega is succesvol in het ontdekken van nieuw zangtalent. Velen die later een grote carrière kregen, debuteerden in Amsterdam, of waren daar in een vroeg stadium van hun loopbaan te beluisteren. Dat bij De Nationale Opera geen ‘sterren’ zingen – een soms gehoorde klacht – wuift Noriega weg: „Los van het feit dat meer op sterren gerichte huizen als Parijs en München een driedubbel budget hebben, denk ik niet dat het hier zou werken. Vorige maand brachten we Mozarts La clemenza di Tito met dirigent Teodor Currentzis, een van de allergrootsten. De voorverkoop liep er niets harder om. Roem is, zeker in de operawereld, relatief. De grootste Verdi-bariton van nu heet Luca Salsi. Wie kent zijn naam? Je moet inzetten op een hoge gemiddelde kwaliteit, met in alle opzichten goede teams.”

Ook Het Nationale Ballet plant twee, drie seizoenen vooruit, maar met solisten in vaste dienst gaat dat wel makkelijker. Het ‘tableau’ (de groep dansers) heeft een klassieke structuur, met eerste en tweede solisten en een ‘corps de ballet. De ene solist is de andere niet: de een is een lyrische danser, de ander explosief, de een is sterker in neoklassiek, de ander in romantische balletten als Giselle. Ted Brandsen: „En toch moeten alle solisten in principe alle voorstellingen kunnen dansen. Juist de breedte van het repertoire maakt ons gezelschap voor dansers aantrekkelijk. Ons verloop is laag, veel dansers blijven hun hele carrière bij ons.”

Roméo et Juliette - De Nationale Opera en Het Nationale Ballet.
Foto’s: Marco Borggreve, Ruth Walz, Monika Ritterhaus
Foto’s: Marco Borggreve,
Roméo et Juliette - De Nationale Opera en Het Nationale Ballet.
Foto’s: Marco Borggreve,

Brandsen, al vijftien jaar verbonden aan Het Nationale Ballet, bracht rust in het gezelschap na een roerige periode vol onvrede over zijn voorganger Wayne Eagling. Hij is geliefd bij zijn medewerkers en heeft geen plannen om te vertrekken. „Zowel opera als ballet staan midden in een moderniseringslag, die veel uitdagingen en verschuivingen met zich meebrengt”, zegt hij. „Welk kind kiest er nog voor om dagelijks urenlang te trainen, zonder garantie op een gouden toekomst?” Brandsen heeft nu te maken met een generatie mondige dansers, zegt hij, die over alles in dialoog willen gaan. „Zo’n danser met een grote mond was ik zelf vroeger ook. Het maakt het werkproces complex, maar ook spannend. Het helpt de kunstvorm vooruit als dansers niet alleen uitvoerders zijn, maar ook denkers.”

Afhankelijk van een forse rijkssubsidie

HNB opent elk seizoen met een gala, een ‘spectacle coupé’ met verschillende stukken door alle dansers: van solo’s tot duetten en ensembles, door talentjes van 8 jaar tot eerste solisten. Brandsen: „Die avond begint altijd met een defilé van allen. Wat me dan treft is de toewijding die je ziet – bij iedereen. Ik weet hoe ze ook elke dag achter de schermen staan te zweten in de studio. Dat is de essentie denk ik: het zien groeien en bloeien van mensen. Tim van Poucke [20] kwam hier tien jaar geleden binnen als een van de twee hondjes in Coppelia, nu danste hij de hoofdrol in Don Quichot. Dan zie je iemand hoger reiken dan hij zelf voor mogelijk hield. En de stilte en de spanning in de zaal verraden dat het publiek dat ook voelt. Dáár gaat het om. Het gevoel samen te worden opgetild en te mogen raken aan iets hogers, iets wat bijna goddelijk is.”

Opera is behalve de meest veelomvattende ook de meest kostbare kunstvorm. Ballet krijgt minder subsidie: solisten zijn in vaste dienst, dus kosten minder dan de los ingehuurde (en veel duurdere) operasolisten. Gemiddeld wordt bij opera per seizoen ook meer geld uitgegeven aan decors, kostuums, licht en techniek.

Beide kunstvormen zijn zwaar afhankelijk van een forse rijkssubsidie. En iedereen die wel eens een opera bijwoont, weet: het publiek is hoogopgeleid, bemiddeld, wit en – met een milde understatement – niet piepjong. „Het gevaar is dat de discussie over de subsidie aan elitaire kunst een keer explodeert”, zei operadirecteur Pierre Audi recent in een interview met NRC.

Lees hier het interview met Pierre Audi: ‘Ik hoop dat mijn opvolger een eigen koers zal zoeken’

Hoofd marketing Sandra Eikelenboom heeft een dagtaak aan het werven van nieuw, jonger en diverser publiek. De tijd dat de zalen vanzelf volstroomden met abonnementhouders is voorbij, vertelt ze. Mensen kopen hun kaarten los, en ze kopen ze laat: het concurrerend aanbod aan vrijetijdsbesteding (musical, Netflix, festivals) wordt ook steeds groter.

„Om opera én ballet veilig te stellen voor de toekomst, moeten we steeds nieuwe dingen verzinnen”, zegt Eikelenboom. In die strijd om een diverser en jonger publiek loopt ballet voor op opera: kaartjes zijn goedkoper en dans wordt in veel sociale lagen gewaardeerd. „Maar voor opera werken we er heel hard aan”, zegt Eikelenboom. Zo stond er op de poster voor La clemenza van Mozart, net als op het toneel, een zwarte Tito. In de zaal zaten bij de première van die voorstelling tientallen genodigden, deels met vrijkaarten, geworven via het netwerk van het Bijlmer Parktheater. En komend seizoen staat Porgy and Bess op het programma, met een zwarte cast, inclusief zwart koor. Maar dat bepaalde Gershwin: al in 1935 legde hij vast dat zijn opera alleen met gekleurde zangers mocht worden uitgevoerd.

Ook in jongeren investeert DNO fors. Tot vijf jaar geleden zag je nauwelijks jonge gezichten bij een operavoorstelling. Maar dat is de laatste tijd zichtbaar verbeterd door initiatieven als My Muse and Me (waarbij mensen tussen 16 en 35 jaar met korting naar een voorstelling kunnen), goedkope ‘Opera- en balletflirts’ (tot 30 jaar) en last minute-studentenkorting. Bij De Nationale Opera is nu 15 procent van het publiek jonger dan 40, bij Het Nationale Ballet 33 procent.

Sandra Eikelenboom: „De volgende stap is nieuw publiek eraan te laten wennen dat opera en ballet niet goedkoop zijn. Want het is cruciaal jonger en diverser publiek te trekken, maar deze groepen zijn vooralsnog wel het minst geneigd het volle pond te betalen.”

‘Dynamic pricing’ – kaarten duurder maken naarmate de voorstelling dichterbij komt en de vraag toeneemt – heeft bij het optimaliseren van ticketinkomsten wel al veel opgeleverd. „En we moeten ook nog meer doen om een andere moeilijke groep – mensen met een jong gezin – binnen te krijgen”, zegt Eikelenboom. Die komen namelijk het liefst mét de kinderen. Sprookjesvoorstellingen door Het Nationale Ballet zijn steevast druk bezocht door zwermen meisjes in tutu. Bij de opera wordt gewerkt aan het uitbouwen van de familieprogrammering.

En ook intern moet het bedrijf proactief omgaan met de toekomst, zegt algemeen directeur Els van der Plas. „Een goed voorbeeld zijn de vele ‘klassieke’ ambachten die we in huis hebben: de kostuummakers, de grimeurs, de decorschilders. Jonge vakmensen die net van een beroepsopleiding komen, hebben nog niet het niveau waar we hier voor staan.” Dus is Nationale Opera & Ballet nu ook een erkend leerbedrijf, met honderd stagiairs per jaar en een nauwe samenwerking met de Meesteropleiding Coupeur.

Operaregisseur Lotte de Beer wil een alternatieve versie van Mozarts Toverfluit, eentje zonder racisme, kolnialisme en seksisme: ‘Halverwege dacht ik: wat stáát hier in godsnaam?’

En de kwaliteit vóór de schermen? De Nationale Opera start in september met een eigen studio voor jong zangtalent, Het Nationale Ballet heeft sinds vijf jaar de Junior Company met jong danstalent als brug tussen balletacademie en podium.

Bij De Opera neemt Pierre Audi deze zomer na dertig jaar afscheid als directeur.

Zijn opvolger, Sophie de Lint, rondt op dit moment haar werk af bij de opera van Zürich. In augustus start ze in Amsterdam. De Lint is dan twee jaar verantwoordelijk voor door Audi geplande opera’s, met hoogtepunten als Stockhausens Aus Licht (juni 2019) en de wereldpremière van Fin de partie, de eerste opera van de 91-jarige (!) componist György Kurtág (maart 2019).

Vanaf 2020 is ze zelf aan zet. Haar programma is nog niet bekend, al heeft ze wel gezegd „het huidige beleid met respect te willen voortzetten”. Daarnaast wil ze speciale aandacht besteden aan „familievoorstellingen, educatie en talent”. Door de start van de eigen operastudio zal er meer aandacht zijn voor jonge zangers. En, misschien, ook ietsje meer voor vertrouwd repertoire. Want over de toekomst is het jaarverslag van Nationale Opera & Ballet duidelijk: „Vast publiek vergrijst en komt minder vaak, nieuw publiek is risicomijdend en kiest primair voor bekend repertoire”.

Met medewerking van Francine van der Wiel