Recensie

Een poging het kwaad te begrijpen

Christien Brinkgreve Essayistisch en persoonlijk onderzoekt Brinkgreve hoe de dynamiek tussen donker en licht, tussen eros en thanatos, ‘het leven doortrekt’, bij anderen en in haarzelf. Een moedige worsteling met het onbegrijpelijke.

De moeder van Christien Brink- greve leed periodiek aan depressies. Als de duisternis het won van de vitale krachten, dan ‘gleed ze weg in een ander rijk, raakte in de greep van iets waar je niet bij kon komen’. Een ander kwaad dat zich opdrong aan Brinkgreve, als kind, was de oorlog, voelbaar in verhalen en angsten. ‘De Duitsers waren het kwaad’, maar de Duitse cultuur had ook veel schoonheid voortgebracht.

Het leidde bij Brinkgreve (1949), die hoogleraar sociale wetenschappen zou worden, tot de drang om te begrijpen, ‘om de strijd tussen de krachten van het leven en de vernietiging te doorgronden’. Ook als ‘weermiddel’ , geeft ze toe, om zelf niet aan een depressie te bezwijken.

Die strijd speelt zich niet alleen daarbuiten af, tussen individuen en groepen, maar vooral in het innerlijk, beseft ze. Ze wil onderzoeken hoe de dynamiek tussen donker en licht, tussen eros en thanatos, ‘het leven doortrekt’, bij anderen en in haarzelf. Dat doet ze op essayistische wijze in haar boek Het raadsel van goed en kwaad, niet alleen door na te denken, en maar ook door verhalen te vertellen. Bijvoorbeeld over de Duitse vrouw van een SS-officier die zwervende Joodse jongetjes mee naar huis nam, ze te eten gaf en daarna doodschoot in de tuin van haar landhuis. Dat verhaal ‘maakt sprakeloos’, schrijft Brinkgreve, ‘het denken stokt’.

Het raadsel van goed en kwaad is een moedig boek. Omdat de auteur zich bevrijdt van het jargon van de sociologie en in een persoonlijke taal schrijft; daarbij laat ze de distantie van de wetenschapper varen en vertelt ze wat ze zelf denkt en voelt. Moedig is dit boek ook omdat de auteur naar antwoorden zoekt op de grote vragen van goed en kwaad, waar al zoveel over gezegd is in de afgelopen tweeduizend jaar. Daarbij komt in kort bestek veel aan bod: de Tweede Wereldoorlog, ziekte, suïcide, de klimaatcrisis.

Soms krijg je het gevoel dat ze met die grote greep boven haar macht reikt. Steeds constateert Brinkgreve dat haar begrip tekortschiet, als ze schrijft over het kwaad dat bedreven werd door de nazi’s, maar ook als het gaat over de keuze voor zelfdoding of de veerkracht van slachtoffers die ondanks hun trauma of ziekte toch met plezier doorleven.

Het woord ‘raadsel’ keert vaak terug. Natuurlijk zijn zulke zaken moeilijk te begrijpen, maar het was interessanter geweest als de auteur haar gedachtegang wat langer had voortgezet. Een ander tekort waar ze mee worstelt, is dat van de taal: er zijn vaak geen woorden voor de wezenlijke zaken. Vandaar haar liefde voor de ‘woordloze taal’ van de muziek.

In de loop van het boek keert Brink- greve zich af van het kwaad. Het maakt haar bang, zoals ze eerlijk toegeeft. Ze gaat liever op zoek naar het goede, naar levenslust en liefde. Terecht stelt ze dat westerse denkers vooral veel geschreven hebben over verval en vernietiging en de ‘vitale krachten die op het leven zijn gericht’ hebben veronachtzaamd. ‘Ook het goede behoeft aandacht.’

Uiteindelijk concludeert ze dat alleen liefde en contact, met jezelf en met anderen, je in staat stellen om de duisternis te overwinnen. Dat zou je een cliché kunnen noemen, maar zo voelt het niet als je de auteur gevolgd hebt in haar authentieke worsteling om woorden te vinden voor het onbegrijpelijke.

    • Martijn Meijer