Recensie

Een lawaaikomedie: gek, grotesk en fijnzinnig tegelijk

Roos van Rijswijk Het is een gek en geinig boekje dat Van Rijswijk schreef, grotesk en fijngevoelig tegelijk, over burengerucht van kolossale proporties. De illustraties van Sylvia Weve vullen aan en verrassen.

Hoe verbeeld je lawaai? Al 87 gaatjes hebben de bovenbuurman en zijn vriendin in de grond geboord. Dit nadat ze door de kamer sprongen op een skippybal, verwarmingsbuizen schuurden, zakken knikkers uitstrooiden, stoelendans speelden en hangende tuinen alsmede een kegelbaan aanlegden.

Sylvia Weve maakte in De olifant van de bovenbuurman van Roos van Rijswijk speelse en ja, luidruchtig te noemen illustraties. De composities blikkeren en tollen, het oog blijft steeds maar even ergens op rusten – en vóórt gaat het weer. Hier een uitvergrote schoen, daar een Afrikaanse trommel en hé, er vliegt een ham (of een lamsbout?) voorbij. Het past allemaal perfect bij de tekst, waarin ook van alles langsscheert, voortstampt en voorbijzoeft. Weve vult aan en verrast. De vormentaal ontleende ze deels aan het beeldverhaal (donderwolken, bliksemschichten, draaikolken). De illustraties zijn veelkleurig, maar de kleuren zijn gek genoeg niet fel. Het effect is er niet minder om.

Het is een gek en geinig boekje dat Van Rijswijk schreef, grotesk en fijngevoelig tegelijk. Daarmee past het in een van de beste tradities van Querido, de uitgeverij die het het licht deed zien. Bij deze uitgeverij verschenen vanaf medio jaren tachtig gewaagde geïllustreerde uitgaven waarvan dikwijls moeilijk uit te maken was of ze voor kinderen of toch eerder voor volwassenen bestemd waren. Van Rijswijks De olifant van de bovenbuurman doet in zijn absurde uitvergrotingen en het taalspel bijvoorbeeld denken aan Juffrouw Kachel (1991) van Toon Tellegen, of aan Anne Vegters Verse bekken (1990). Het is mooi dat de uitgever deze artistieke traditie van boeken die in de eerste plaats op zichzelf staan, alvorens zich voor één publiek van oud of jong te lenen, nu voortzet.

Het boekje had naar het schijnt een reële aanleiding: Van Rijswijk ging daadwerkelijk gebukt onder het lawaai van haar bovenbuurman. Getergd besloot ze er letterlijk het beste van te maken. In De olifant van de bovenbuurman komen terloops allerlei geluidsbronnen en geluid veroorzakende activiteiten voor, die sterk op de lachspieren werken en buitengewoon goed gevonden zijn. Soms worden ze alleen even vluchtig aangeduid, dan weer zit er juist extra uitleg bij: ‘[Olifant] steekt haar poten hoog in de lucht zodat de gietijzeren kroonluchter, het erfstuk van bovenbuurmans oma, vermaard klompendanseres, naar beneden lazert.’

En o ja. De vriendin van de bovenbuurman is dus een olifant. Een olifant met spleen. De bovenbuurman wringt zich in bochten om haar leven op te vrolijken. Naverteld klinkt het wellicht een beetje flauw, maar als Van Rijswijk en Weve er kond van doen is het een vrolijk, schallend, verrassend, knetterend feestje in boekvorm.