De oorlogsmisdadiger als voorzitter van gesprek over ontwapening

Syrïë zit een vergadering over ontwapening voor. Assad krijgt zo aanzien, stelt Michel Kerres.

Het valt niet altijd mee om het multilaterale overlegcircuit serieus te nemen. Waar goede bedoelingen en schurkenstaten op elkaar botsen ontstaan al snel onhandige uitwassen: eindeloze vergaderingen, wollige verklaringen, slecht Engels. Sarcasme is dan makkelijk, maar ook flauw: de wereld is niet perfect. Maar soms vrágen de internationale clubs er gewoonweg om.

In het Palais des Nations in Genève vergadert de Conference on Disarmament (CD), een aan de VN-gelieerd overlegorgaan over ontwapening. De conferentie en haar voorgangers waren verantwoordelijk voor baanbrekende verdragen: het verbod op proliferatie van kernwapens (1968), het verbod op biologische wapens (1972), het verbod op chemische wapens (1993) én het verbod op kernproeven (1996).

Daarna raakte de club in het slop. Het laatste ontwapeningsverdrag – het algeheel verbod op kernwapens dat door de kernmachten wordt genegeerd – werd in de Algemene Vergadering beklonken, niet in Genève. Sinds begin dit jaar probeert men in werkgroepen de zaak vlot te trekken; Nederland leidt een werkgroep over de proliferatie van splijtstof.

Het voorzitterschap rouleert elke maand, op volgorde van het Engelstalig alfabet. Op Zwitserland volgde deze week Syrië. Dat is volgens de regels en waanzin tegelijkertijd.

Assad krijgt precies wat hij nodig heeft: de schijn dat alles oké is, dat Syrië een gewaardeerd lid is van de wereldgemeenschap.

Het orgaan waar de wereld het verbod op chemische wapens aan te danken heeft wordt geleid door oorlogsmisdadigers die hun eigen bevolking met chemische wapens in het gareel proberen te houden. Dat belooft een topmaand te worden voor ontwapening.

De ongemakkelijke omgang met onaangename regimes is dagelijkse VN-praktijk. Eerder ontstond commotie over de rol van Saoedi-Arabië (executies en vrouwenonderdrukking) in VN-organisaties voor mensenrechten . Saoedi-Arabië werd zelfs bewust door zijn peers naar voren geschoven.

Het roulerend voorzitterschap, waar Syrië nu van profiteert, is een methode alle leden van een organisatie bij besluitvorming te betrekken en eindeloze debatten over leiderschap te vermijden. En als je wilt ontwapenen, heeft het weinig nut alleen met gelijkgezinde pacifisten te overleggen. Dan moet je ook met schurken in gesprek.

Toch wringt het Syrische voorzitterschap. Assad krijgt precies wat hij nodig heeft: de schijn dat alles oké is, dat Syrië een gewaardeerd lid is van de wereldgemeenschap, dat Syrië en wapens in één adem genoemd kunnen worden zonder opdoemende beelden van verwrongen kindergezichtjes.

Nederland zat het voorzitterschap van Syrië dan ook niet lekker. De ambassadeur voor ontwapening in Genève, Rob Gabriëlse, blijft weg bij vergaderingen, maar stuurt wel zijn plaatsvervanger. Mocht Syrië zijn positie misbruiken om de eigen zaak te bepleiten, dan gaat Nederland alsnog tot hardere actie over. Het multilaterale ontwapeningswerk mocht niet lijden onder de benoeming, redeneerde Den Haag.

Een diplomatiek signaal dus, maar wel bescheiden. Syrië zal er niet van onder de indruk zijn. VN-diplomaten zijn het gewend een land ’s ochtends de mantel uit te vegen, om er ’s middags mee samen te werken. Maar een land dat in een actueel conflict beschuldigd wordt van oorlogsmisdaden tegen de eigen bevolking is een aparte categorie. Hier was een stevige boycot, een maand van luid protest, op zijn plaats geweest. En een organisatie die 20 jaar niet veel presteert, kan best een maandje met reces.

Redacteur geopolitiek Michel Kerres en Oost-Europa-deskundige Hubert Smeets schrijven hier afwisselend over de kantelende wereldorde.
    • Michel Kerres