Foto Andreas Terlaak

‘Bach bezit de sleutel tot de innerlijke mens’

Jos van Veldhoven

Jos van Veldhoven leidde 35 jaar de Nederlandse Bachvereniging. Deze week neemt hij afscheid. „De Matthäus mag nooit routine worden, elk jaar begon ik opnieuw.”

In de werkkamer van Jos van Veldhoven hangt een portret van J.S. Bach, in opdracht gemaakt door Marthe Röling. Nieuwsgierige ogen boven een zinnelijke mond, op het hoofd een wikkeldoek in plaats van de gebruikelijke krullenpruik. „Ik wilde Bach verbeeld zien in de kracht van zijn leven, toen hij zijn grote werken schreef”, zegt Van Veldhoven. En dus kijkt nu een jongere Bach (mét viriel toefje borsthaar) geamuseerd neer op Van Veldhovens bureau. Op de Calov-bijbel die er ligt opengeslagen, op de partituren, zelfs op Van Veldhovens hoekje met in de jaren verzamelde Bach-kitsch (thermosflessen, beeldjes, een gebreide knuffel).

U leefde als dirigent 35 jaar met Bach. Welk beeld leverde u dat op?

„Bach was zeer toegewijd aan zijn werk. Hij werkte vanuit zijn geloof aan muziek die dat geloof diende, en hij kon ook geërgerd raken als iemand muziek minder perfectionistisch benaderde dan hij. Maar verder was hij trouw en lief; hij begeleidde al zijn kinderen naar proefspelen opdat ze goed terecht kwamen. En verder weten we weinig. De meest persoonlijke brief is er een waarin Bach zijn neef verzoekt geen vaatjes wijn meer te versturen: alle douaniers en postbodes proeven ervan en wat rest is een leeg vat en hoge invoerrechten, haha.”

We katapulteren u terug naar Bach in Leipzig, 1723. Wat horen we?

„We zouden geschokt zijn, dat is het enige wat ik zeker weet. Er liggen drie eeuwen tussen toen en nu! Zelfs de ‘authentieke’ uitvoeringspraktijk is deels in zekere zin ook ‘traditie’ geworden. Neem het gebruik van kistorgeltjes. Ze zijn handig dus je snapt dat iedereen ze inzet, maar Bach gebruikte zelf grote kerkorgels. Toen we dat met de Bachvereniging ook probeerden, bleek hoe alleen al daardoor alles ging schuiven: de zangers moesten anders zingen, de contrabassisten keken verbijsterd omdat ze zichzelf niet meer hoorden. Zo’n domino-effect brengt je misschien weer ietsje dichter bij de waarheid.”

Dus dat doet u nooit meer anders.

„Of wel. De gedachte dat het allemaal zo moet zijn als in Bachs tijd, dat dat kán, is belachelijk. 35 jaar geleden had ik nog wel missionarisachtige trekjes: zo moet het, anders niet. Nu denk ik: elk inzicht brengt je hooguit dichterbij, maar je komt er nooit. De heilige plicht is met kennis en intuïtie en openheid er het beste van te maken. Wat werkt is daarbij voor mij belangrijker dan wat klopt.”

U presenteerde dan ook vele inzichten: een Matthäus met een minikoor, het jaar daarop een assymetrische, dit jaar dirigeerde u draaiend om uw as…

„Juist een stuk dat je zo goed kent als de Matthäus mag nooit routine worden. Dus begon ik elk jaar opnieuw: ik las me in over de nieuwste inzichten en probeerde die uit. In mijn laatste Matthäus heb ik het duet So ist mein Jesus heel langzaam genomen, want nieuw onderzoek lijkt erop te wijzen dat we alles nu veel te snel spelen. Er ging een wereld open: hoe die twee hoge stemmen versmolten met de twee fluiten.”

U studeerde eerst geneeskunde. Waarom koos u toch voor de muziek?

„Voor oude muziek waren de vroege jaren zeventig een heel spannende tijd: de historische uitvoeringspraktijk kwam op, er was een enorme honger naar kennis en je voelde hoe alles door nieuwe inzichten aan het veranderen was. Met vrienden richtte ik het Utrechts Barok Consort op. Hoe klinken opera’s uit de tijd tussen Monteverdi en Händel? Geen idee! En dan gingen we die opera’s van componisten als Keiser, Caldara en Mattheson gewoon zelf opvoeren. Intussen studeerde ik koor- en orkestdirectie, en leerde dus ook muziek van na 1800 én de bijbehorende uitvoeringscultuur goed kennen. Daardoor besefte ik hoezeer de pioniersgeest van de authentieke uitvoeringspraktijk me paste. De nieuwsgierigheid, het uitproberen van ‘nieuwe’ oude instrumenten, het bezig zijn met research. En niet te vergeten de amicale, egalitaire sfeer. Want ook daarin verschilt de oude muziek sterk van de reguliere, symfonische orkestwereld met sterk op zichzelf gerichte instrumentgroepen en verheven ‘maestro’s’.”

Bij de Bachvereniging was u de dirigerende muzikaal leider, het ensemble zelf het ‘merk’. Daarin onderscheidt het zich van orkesten als Amsterdam Baroque Orchestra of Orkest vd 18de eeuw en hun oprichters Ton Koopman en Frans Brüggen. Zij zijn/waren beroemdheden, u minder. Stak dat nooit?

„Nee hoor, ik heb niet zo’n last van een ego. Voor mij telde dat de Bachvereniging ook de beste gastdirigenten uitnodigde. René Jacobs, Jos van Immerseel, Iván Fischer, Ton Koopman – allen dirigeerden hun eerste Matthäus Passion bij ons. Daar ben ik trots op. Het ging me, ons, om de kwaliteit van het geheel.”

“Voor velen is de muziek van Bach een middel geworden om de balans te hervinden in een jachtige,
zeer materialistische wereld”

Met welk gevoel neemt u nu afscheid?

„Trots. Weemoed. Vervreemding, ook. Het voelt helemaal niet als 35 jaar. Vroeger waren de musici ouder dan ik, nu jonger. Dát neem ik waar. Maar verder is muziek een merkwaardig fenomeen: zij verhoudt zich tot de tijd, en juist daardoor is het net alsof de jaren niet tellen.”

U noemde Bach ooit ‘een van de grootsten’. Beetje zuinig voor de componist aan wie u uw werkzame leven schonk.

„Ja, té zuinig. Bach is voor mij wel degelijk de allergrootste. Zo compleet, zo stabiel, zo gelaagd – ook emotioneel. Er zijn geen slechte werken. Je mist ook nooit iets.”

Heeft u een favoriet?

„De Actus Tragicus vind ik een wereldwonder. Twee blokfluiten, twee gamba’s en de menselijke stem – naar vorm is het voor Bachs doen heel ouderwets eigenlijk. En toch is alles raak.”

Maar de Bachvereniging deed en doet meer dan alleen Bach.

„De laatste vijf jaar is zeventig procent van de programmering muziek van Bach, schat ik. Dat is veel. Na voltooiing van het project ‘All of Bach’ zal het wel weer diverser worden. Ik herinner me dat we vroeger ook uitvoerig de Nederlandse muziek van de zeventiende en achttiende eeuw hebben geëxploreerd. Muziek van componisten als Benedictus Buns en Cornelis Hacquart.”

Zou je daarmee nu, in 2018, nog een zaal uitverkopen?

„Moeilijker. De nieuwsgierigheid van het publiek is minder dan twintig jaar geleden, de hype-gevoeligheid groter. Maar misschien idealiseer ik het verleden; was oude muziek toen zélf de hype.”

Bach trekt wél volle zalen, voorbijgaand aan hypes. Hoe verklaart u dat?

„Bach bezit de sleutel tot de innerlijke mens. Zijn muziek was destijds liturgisch, maar vertolkt nu een bredere boodschap. Bachs schoonheid is voor velen een middel geworden om de balans te hervinden in een jachtige, zeer materialistische wereld, waarin nog maar heel weinig ruimte is voor rituelen waar we wel behoefte aan hebben.

„Dit jaar kregen we het na lange tijd weer voor elkaar dat onze Mattäus Passion live vanuit de grote kerk in Naarden op tv werd uitgezonden. Er keken 300.000 mensen, die niet wegzapten. De omroepbazen waren stupéfait.”

Maar u niet, want de Bachvereniging initieerde in 2013 al het onlineproject ‘All of Bach’: alles van Bach in nieuwe video’s online. Waarom moest dat? Het internet is al zo vol, zelfs vol Bach.

„Maar bij onze uitvoeringen weet de luisteraar zeker: hier ligt gedegen research aan ten grondslag, dit is eerlijk, gepassioneerd en betrouwbaar. Dat was bij de oprichting in 1921 het doel van het ensemble, en dat is het nog steeds.”

‘Gedegen, eerlijk, betrouwbaar.’ Is dat anno 2018 een verkoopbaar merk?

„Sterker: het is zelfs een merk dat zichzelf verkoopt. Er keken al 4 miljoen mensen naar ‘All of Bach’, zonder dat we reclame hebben gemaakt. Laatst sprak een man uit Israël me aan: met zijn gezin bekeek hij elke week, als ritueel na de sjabbatviering, onze nieuwe upload. Onze aantrekkingskracht is universeel, juist omdat we modes links laten liggen.”

Komt u terug bij de Bachvereniging?

„Eerst moet mijn opvolger Shunske Sato zijn ei leggen, zijn programma’s maken. Maar in het jubileumjaar 2021 speel ik een rol, en ik zal vast ook nog wel wat cantates opnemen voor ‘All of Bach’.”

U houdt nu dus tijd over.

„Ja, en daar verheug ik me op na de tropenjaren die achter me liggen. Gewoon eens bedenken: deze week ga ik me verdiepen in ….. Telemann! En dan luisteren, partituren bestuderen, boeken lezen, zonder dat er iets mee hoeft. Wist je dat Telemann 1200 cantates en veertig passies componeerde? En daarna dan Purcell, of Rameau…..”

Alleen oude muziek! Is that all there is?

„Ik zou ook graag iets met mijn handen doen. Iets met hout en een beitel. Een kastje maken of zo. Schilderijen restaureren lijkt me ook fijn. Het ambachtelijke heeft me altijd getrokken. Op collega’s die zelf hun instrumenten bouwden, was ik altijd een beetje jaloers.”

    • Mischa Spel