Recensie

Alleen maar vertrouwen op je onderbuikgevoel

Jaroslav Rudis

Opnieuw laat deze gelauwerde Tsjechische schrijver zien wat een ellende het wilde kapitalisme na de val van het communisme in zijn land teweegbracht . Toch heeft hij zijn zwarte humor weten te behouden.

Mistroostig en ruig is het post-communistische Oost-Europa van de Tsjech Jaroslav Rudis (1972). En toch bestaat er humor. In zijn roman Het einde van de punk in Helsinki won deze het van de verbittering die de val van de Muur voor velen met zich meebracht. In Het volk boven, Rudis’ nieuwe roman, is die humor gitzwart, zeker als het gaat over het in elkaar slaan van buitenlanders, Oekraïners, daklozen, punkers, junkies. Niet voor niets begint Rudis zijn roman met de zin: ‘Adolf Hitler heeft mijn leven gered.’

Het volk boven is een monoloog van huisschilder Vandam, die zich heeft vernoemd naar de Belgische filmster en kickbokser Jean-Claude Van Damme. Net zoals zijn held kan hij zich tweehonderd keer achtereen opdrukken. Zoiets is noodzakelijk, meent hij, want hij wil zich kunnen verdedigen ‘als de pleuris weer uitbreekt’. Pas wanneer hij zegt: ‘Ze maken je wijs dat dit vrijheid en democratie is’, begrijp je hoe de vork in de steel zit.

Vandam beweert in 1989 de Fluwelen Revolutie tegen de communistische heersers in gang te hebben gezet, doordat hij de politie de eerste klap zou hebben uitgedeeld. Vijftien jaar later is van dat vermeende heldendom niets over. Vandam is een van de vele verliezers van het kapitalisme dat op die revolutie volgde en vertrouwt alleen nog op zijn onderbuikgevoelens. Rudis weet die frustratie knap neer te zetten.

Na zijn werk zit Vandam in de kroeg in de volkswijk die nog door zijn vader is gebouwd. Daar wordt op de politiek en wat niet al meer gekankerd. Op kroegbazin Lucie heeft Vandam een oogje: ‘Bij haar klopt alles. Geblondeerd haar. Strak kontje. Dunne benen. Borsten die precies in je hand passen. Wat rimpels en wat wallen onder de ogen, maar welk wijf zou die hier niet van ons krijgen.’ En als hij haar het bed in krijgt, verandert de macho in een tedere jongen, die het liefst met zijn meisje naar een vechtfilm met Van Damme kijkt.

Familie-kerstfeest

Vandams vader heeft zich evenmin kunnen aanpassen aan de nieuwe tijd. Een tragikomische scène gaat over een familie-kerstfeest, waar iedereen ruzie met elkaar krijgt. Die vader lijdt aan een maagkwaal en vergaat van de pijn. Als hij in zijn singlet een sigaret staat te roken op het balkon, springt hij ineens naar beneden. ‘Daar ligt hij negen verdiepingen lager, op het dak van onze rode Skoda, dat maar een klein stukje is ingedeukt. We hebben toen nog drie jaar met dat ingedeukte dak rondgereden en voor mijn gevoel reed pa steeds met ons mee.’ Het is een van de mooie beelden die Rudis je in zijn roman voorschotelt om het leed van zijn personages draaglijker te maken.

Als Vandams kameraden in het café herinneringen ophalen aan 1989, toen de hoop op een betere toekomst nog bestond, slaat de revolutionaire taal om. Iemand brengt de Hitlergroet, bij wijze van grap. Nee, het is een Romeinse groet – Europa staat op Romeinse fundamenten. En dan strekken ook de anderen hun arm om te roepen: ‘Het volk boven’. Ze bulderen tegen wie ze allemaal zijn. Hier spreekt inderdaad de onderbuik, die tegen alles en iedereen is. En als de politie ineens binnenvalt voor de grande finale is het alsof je die taal heel goed verstaat.

Lees ook: de recensie van Rudis’ vorige roman Het einde van de punk in Helsinki.
    • Michel Krielaars