Opinie

    • Joyce Roodnat

You talking to me?…you talking to me?

Joyce Roodnat

In het Grand Palais in Parijs ziet Joyce Roodnat machinetjes die mensendingen doen. Robots zijn raadsels. We houden van ze. Maar eigenlijk zijn ze altijd bedreigend.

Orlan et Orlanoïde, Striptease électronique et verbal (2017). foto Erik van Zuylen

Paul Schrader. Wie? Schrader. Paul. Vergeten, maar dat is belachelijk want bij hem begon een filmklassieker van jewelste. „You talking to me?” Is dat van Robert DeNiro? Van Martin Scorsese? Nou, eerst was dat van Paul Schrader. Hij was aan het doordraaien, woonde in zijn auto en schreef het scenario voor Taxi Driver, „om niet zelf Travis Bickle te worden”. Ik hoor het hem vertellen in Radio Hour, de podcast van The New Yorker. En daardoor begrijp ik de tentoonstelling die ik vorige week zag in het Grand Palais in Parijs: Artistes & Robots.

Robots zijn raadsels. We houden van ze. Ze zijn leuk, schattig zelfs, zoals aangeklede chimpansees schattig zijn. Maar eigenlijk zijn ze altijd bedreigend. Schrijfster Mary Shelley baarde de allereerste robot al in 1818, in haar roman Frankenstein. Hij was een robot van mensenvlees, hij leerde praten en ontwikkelde gevoel. Waarmee ze meteen de extreemste robot had bedacht, eentje die raakt aan onze oerangst. Wat als we niet uniek zijn? Wat als een robot net zo kan zijn als wij?

Dat is ook de inzet van de kunstenaars in het Grand Palais, maar zij gaan uit de weg wat Shelley 200 jaar geleden zomaar wel deed. Ik zie machinetjes die mensendingen doen. In een video ‘leeft’ Robot -K456 (1964) van robotveteraan Nam June Paik dermate dat hij op straat een broodje aangeboden krijgt. Vaak worden we uitgenodigd met een robot te versmelten. Er klinkt muziek. Die wordt ergens anders op de wereld in real time ‘gecomponeerd’ door Jacopo Baboni Schilongi, via de interactie van algoritmes met zijn ademhaling. Die is zelf een halve robot, hij loopt 24 uur per dag met een zender op zijn longen.

Is de robot een vorm van kunstmatige intelligentie dan is hij niet zo schattig meer. Dan zal hij ons per definitie willen overvleugelen en uiteindelijk wegdoen. Dat drama is in de mode nu. Maar ik zie hier een filmfragment uit 1964 (What a Way to Go). En daarin wordt al een kunstschilder, gespeeld door Paul Newman, vermoord door een kunstmatig schildersbrein.

Orlan, de kunstenares die er sowieso al zelf als een robot uitziet, schiep een ‘Orlanoïde’, naar haar eigen evenbeeld. Ze praat met haar, maar de Orlanoïde gebaart en roept vergeefs: Je veux la vie! Ik wil leven!

Al deze kunst, van Shelley en Schrader tot Orlan, schept een iets wat bijna een iemand is. Het lijkt op ons. Het kan denken en redeneren. Het is bijna menselijk. Maar net niet helemaal. En daar gaat het om: maak een robot, van vlees, staal of letters, en je wendt het gevaar af dat je jezelf verliest. Robotkunst is bezweerkunst. Paul Schrader schreef Taxi Driver om de Travis Bickle in zichzelf te verslaan. „You talking to me?” Nee hoor. Want jij lijkt wel echt, maar je bent dat niet.

    • Joyce Roodnat