Van veel criminelen valt helemaal niets te plukken

Ontnemingswetgeving Misdaad mag niet lonen, zegt de wetgever. Winsten kunnen worden afgepakt. Maar vaak werkt dat contraproductief.

Foto Piroschka van de Wouw

Berechten doe je met een rekenmachine. Vooral kleine henneptelers, plantage op de zolderkamer, zien rechters ter plekke druk in de weer op hun iPad. 250 planten maal 28,2 gram per oogst maal 4,07 euro per gram maal drie oogsten min 600 euro afschrijvingskosten voor de apparatuur en 3,81 euro aanschaf per stek (maal drie oogsten) en 3,88 euro onderhoud per plant (ook maal drie). Alstublieft, klinkt bij het vonnis: 79.713 euro, terug te betalen aan de staat. Nog naast een eventuele boete of werkstraf.

Een ontnemingsmaatregel, heet dat. Bedoeld om iemand terug te brengen in de financiële positie die hij zou hebben gehad als hij géén misdrijf had gepleegd, onder de noemer ‘misdaad mag niet lonen’. De maatregel is uitdrukkelijk bedoeld om het recht te herstellen en niet om te bestraffen – straf komt ernaast.

Maar de praktijk is anders. De ontnemingsmaatregel werkt soms óók bestraffend en leidt ertoe dat veroordeelden geregeld meer moeten betalen dan ze vermoedelijk met hun criminele activiteiten hebben verdiend, betoogt Wouter de Zanger, die de juridische positie van de burger in een ontnemingszaak onderzoekt en hierop vrijdag in Utrecht promoveert. De maatregel ondermijnt volgens hem de rechtspositie van de burger en werkt soms zo „hard” dat die een terugkeer in de samenleving bemoeilijkt. „Sommigen kunnen het gewoon écht niet terugbetalen.”

Natuurlijk, ze kunnen dat beweren bij de rechter en intussen hun geld verstopt hebben. Dat is het beeld dat de politiek graag in stand houdt, zegt De Zanger. „Dat van de sluwe, vermogende misdadiger die moet worden getroffen in zijn portemonnee.” Het is ook de retoriek van justitie, zegt hij, die liever spreekt van „afpakken” dan „ontnemen” en in persberichten jaarlijks schermt met een groeiend „afpakresultaat” – vorig jaar 221.259.200 euro.

Kruimelcriminelen

Maar wat justitie niet vermeldt, is hoeveel daarvan werkelijk wordt geïnd. Naar een deel, ongeveer een kwart, kan justitie fluiten, bleek uit onderzoek dat De Zanger in 2015 deed in opdracht van het Centraal Justitieel Incassobureau. De rest werd vaak moeizaam en na lang trekken geïnd. Het beeld dat hij toen destilleerde uit 2.746 ontnemingsvorderingen tussen 1995 en 2011 was niet dat van een misdaadelite die een grote buit achterhoudt. Eerder dat van een bulk kruimelcriminelen die de opgelegde betalingsverplichting niet kon nakomen. Bijna de helft van de ontnemingszaken bestond uit wietteeltzaken, veelal bijstandsgerechtigden met een zolder.

De ontwikkeling van de ontnemingsvordering heeft vooral hun rechtspositie uitgehold, meent De Zanger. Neem de berekeningen waarmee de rechter veroordeelde wiettelers hun uit misdaad verkregen geld terugvordert. Dat zijn gestandaardiseerde bedragen gebaseerd op ervaringsregels. Maar de vraag is hoe realistisch die zijn in het concrete geval. „Een oogst kan mislukken, minder geld opleveren bij de coffeeshop.” En terwijl in het strafrecht de bewijslast bij het Openbaar Ministerie ligt, geldt bij een ontnemingsvordering dat juist de veroordeelde moet aantonen dat de opbrengst minder is geweest dan de standaardberekening uitwijst. „En ja, facturen heeft een hennepteler niet, die probeert juist zo mín mogelijk bewijs te vergaren.”

Ontneming

De pluk-ze-wetgeving, zoals de maatregel bij de introductie in 1993 heette, kijkt bovendien niet naar hoeveel geld een veroordeelde heeft, maar alleen naar hoeveel die er ooit mee zou hebben verdiend – ook als het misdrijf twee jaar eerder is gepleegd. De wet maakt daarnaast ontneming mogelijk van misdaadgeld waarvoor de burger nooit is veroordeeld. Zo baseert de rechter zijn berekening in het geval van de wietteler óók op eerdere oogsten die hij vermoedt – maar waarvoor de burger niet terechtstaat. De rechter kijkt dan naar de mate van stof op lampenkappen en vervuiling van koolstoffilters en het is – wederom – aan de burger om aan te voeren dat die eerdere oogsten er níét zijn geweest, „in plaats van andersom”.

En na een verhit Kamerdebat in 2011, toen politici „die niet soft willen overkomen”, riepen dat de overheid niet genoeg afpakt, is ook de aftrek van gemaakte kosten ingeperkt. Zoals van investeringen die een veroordeelde wietteler heeft moeten maken voor in beslag genomen apparatuur.

Zulke „retoriek”, zegt De Zanger, heeft de positie van de burger verzwakt. Er is volgens hem een ontnemingspraktijk ontstaan die „onrealistisch” is en ten onrechte bestraffend werkt. „Dat werkt resocialisatie tegen. Burgers die vijftien jaar moeten afbetalen zonder dat ze dat geld (nog) hebben, dat werkt averechts.” Liever zou hij zien dat de openstaande betalingsverplichting van veroordeelden wordt kwijtgescholden na drie jaar bijten op een houtje.

Als Wouter de Zanger zijn stelling bespreekt met officieren van justitie, wordt hij vaak bekritiseerd „We moeten hard optreden!” klinkt het. Zijn boodschap is niet populair. Al zijn er, minder hardop, ook officieren die zeggen: „Goh, er zit toch wel wat in.”