NRC checkt: ‘Een op de drie statushouders kan het simpelste baantje niet aan’

Dat schreef De Telegraaf afgelopen zaterdag.

De aanleiding

Werkgevers en taalscholen „luiden de noodklok” over de vele misstanden bij het inburgeringsonderwijs, was afgelopen zaterdag het nieuws op de voorpagina van De Telegraaf. „Inburgering flopt”, kopte de krant. „Werkgevers: een op de drie statushouders kan simpelste baantje niet aan.”

Waar is het op gebaseerd?

De kop is ontleend aan de volgende zin uit het artikel: „Gisteren maakte de Sociaal Economische Raad (SER) bekend dat een op de drie mensen die in 2014 een verblijfsvergunning kregen, nog niet voldoende gekwalificeerd is voor ook maar het simpelste baantje.”

Het gaat om het rapport Vluchtelingen en Werk, dat de SER op 25 mei publiceerde. De boodschap van de SER is dat de arbeidsintegratie van vluchtelingen met een verblijfsvergunning verbetert, maar dat de situatie nog zorgelijk is: 84 procent van de 18 tot 65-jarigen die in 2014 een verblijfsvergunning kregen, ontvangt na tweeënhalf jaar bijvoorbeeld een bijstandsuitkering. Een opmerking over ‘simpele baantjes’ is niet direct terug te vinden.

Op de vraag op welke bron hij zich baseert, geeft de auteur van het artikel, Jan-Willem Navis, geen duidelijk antwoord. Per mail verwijst hij naar het rapport. Navraag bij de SER leert dat het gaat om een zin op pagina 22, in een hoofdstuk over hoe gemeenten statushouders naar werk begeleiden. De SER-onderzoekers schrijven daar: „Gemeenten geven tevens aan dat ruim eenderde van de statushouders nog niet in aanmerking komt voor een concreet activeringstraject.”

En, klopt het?

„Wat er in De Telegraaf staat, hebben wij niet gezegd”, zegt Arend Odé, projectsecretaris bij de SER en co-auteur van het rapport. „Wat erin staat, is dat ruim eenderde van de statushouders nog geen gerichte ondersteuning bij het vinden van werk krijgt.”

De SER, legt hij uit, schreef het rapport op basis van externe bronnen. „Deze informatie kwam van het Kennisplatform Integratie en Samenleving. Die publiceren jaarlijks de Monitor gemeentelijk beleid arbeidstoeleiding vluchtelingen, een soort enquête onder alle gemeenten. Uit de laatste statistieken blijkt dat ruim eenderde, 37 procent, geen gerichte begeleiding krijgt.”

Dat kán te maken hebben met de situatie van de statushouder zelf, die gezondheidsproblemen kan hebben, onvoldoende taalniveau of andere zorgen, zegt Odé. Maar er spelen meer factoren. „Ten eerste de ondersteuningsstructuur binnen gemeenten. Statushouders kunnen bijvoorbeeld nog niet beginnen omdat er pas recentelijk met trajecten is gestart.” Een tweede factor is dat de statushouders gewoon druk aan het inburgeren zijn. „In de praktijk betekent dat gemiddeld twee à drie dagdelen per week een talenklas volgen. Dan is het moeilijk daarnaast meteen aan het werk te gaan.” Tot slot kiezen veel gemeenten bewust voor een aanpak die meer tijd vergt, zegt Odé. „Dat adviseren we ook in ons rapport: het bieden van langdurige ondersteuning en begeleiding is van vitaal belang om statushouders aan werk te helpen.”

De conclusie van De Telegraaf dat een statushouder „het simpelste baantje niet aankan” is dus te kort door de bocht? Odé: „Wat De Telegraaf schrijft, kun je niet op basis van ons rapport concluderen. De werkelijkheid is veel complexer. Het ligt niet alleen aan het kwalificatieniveau van Nederlandse statushouders.”

Conclusie

De Telegraaf schreef op basis van een SER-rapport dat een op de drie statushouders niet gekwalificeerd is voor ook maar het simpelste baantje. Dit is echter een onjuiste interpretatie van een opmerking in het rapport. De bewering is daarom ongefundeerd.

Ook een bewering zien langskomen die je gecheckt wilt zien? Mail nrccheckt@nrc.nl of tip via Twitter met de hashtag #nrccheckt

Correctie (6 juni 2018): in een eerdere versie van dit artikel werd verwezen naar het Kennisplatform Integriteit en Samenleving. Dit moet het Kennisplatform Integratie & Samenleving zijn.

    • Anne-Martijn van der Kaaden