Opinie

    • Frits Abrahams

Moeilijk telefoontje

Dat Australische echtpaar dat zich uit vrees voor aftakeling op een hotelbed in Lima van het leven ontdeed – het had iets huiveringwekkends. Ze bleven er ook zo akelig monter onder, alsof ze een uitstapje ondernamen naar een subtropisch bejaardenresort waar je heerlijk kon golfen en bridgen.

Ik begreep het wel, maar toch kon ik me niet goed voorstellen dat ik zelf zoiets zou doen. Ik ben er misschien te laf en te lui voor. Helemaal naar de Andes om in een stoffige dierenwinkel flesjes met een dodelijk middel te kopen waarvan je nog maar moet afwachten of het effectief is, vervolgens in je slechtste Spaans afspraken maken met een louche begrafenisondernemer en ten slotte dat lastige telefoontje plegen met het thuisfront waar ze vurig hopen dat je je toch nog bedenkt, tenzij ze meer oog hebben gekregen voor de erfenis.

„Dus jullie weten het zeker?”
„Ja, we zetten het door.”
„Nou, een hele goede reis dan.”
„Doei!”
„Doei, doei!”

Je draait je om naar je vrouw en zegt opgelucht: „Het zit erop, pak de flesjes maar.”

In ons geval is er trouwens een gerede kans dat dan de volgende dialoog ontstaat.
„Maar die heb ik jóú toch gegeven?”
„Hoe kom je erbij? Jij zou de paspoorten en de flesjes in je tas bewaren.”
„Welnee, dat zeg je altijd als er iets kwijt is. Vanmorgen zei ik nog: let goed op de spullen want er lopen in Lima veel zakkenrollers rond.”
„Maar dat sloeg op het geld, niet op die flesjes. Kijk nou eerst eens even goed in je tas.”
„Dat hoef ik niet, want ik weet zeker…”

Ad infinitum. Het slot van het liedje kan zijn dat we beiden zo’n adrenalinestoot krijgen van het bekvechten dat de behoefte aan suïcide als sneeuw in een zonnige Andes zal verdwijnen.

„Zullen we ze maar voor een andere keer bewaren?”, hoor ik mijn vrouw al vragen als ze de flesjes ten slotte toch in een geheim vakje van haar tas heeft gevonden.
„Als je ze maar niet met andere flesjes verwisselt”, waarschuw ik nog.
„Al die flesjes lijken op elkaar”, knikt ze.

Het veruit moeilijkste moet dan nog komen: aan het thuisfront uitleggen dat het laatste telefoontje niet het laatste was. „Jij bent daar beter in dan ik”, zal ik eerst nog proberen.
„Je onderschat jezelf”, zal ze beleefd terugkaatsen.

Na enkele dagen besef ik dat er niet langer aan valt te ontkomen. Met trillende vingers toets ik het nummer in, en als ik eindelijk een overbekende stem hoor, zeg ik: „Met papa hier…”

Ik hoor niets, behalve het doffe geluid van wat vermoedelijk een vallend lichaam is. „We zijn er nog”, wil ik ten overvloede zeggen, maar waarom zouden de nabestaanden, die opeens geen nabestaande meer zijn, mij moeten geloven?

Als Boris Johnson al kan worden bedonderd door Russische grappenmakers die zich aan de telefoon voordoen als de premier van Armenië, waarom zou je dan iemand moeten geloven die vastbesloten naar Peru is gegaan om te sterven en nu opeens uit zijn aangekondigde dood is verrezen?

Nee, de dood in Venetië, dat heeft nog iets, maar in Lima? Voorlopig begin ik er niet aan.

Beverly (79) en Athol Whiston (80) overleden een jaar geleden in een hotelkamer in Peru. Naast het bed werden euthanatica gevonden. Het stel uit Australië was nog relatief gezond, maar vond het leven ‘voltooid’. Dit is het verhaal van een ouder echtpaar op zoek naar een ‘waardige dood’: Ons leven voltooid
    • Frits Abrahams