‘Misschien heb ik een moeder van haar kind beroofd’

Adoptie Geadopteerden en hun ouders overwegen een rechtszaak tegen de staat na misstanden bij adopties uit een Indonesisch kindertehuis.

Joke Kraaij met haar in Indonesië geadopteerde dochter Sriwarni. Foto Merlijn Doomernik

Nietsvermoedend zaten Marius en Marjan Kooistra eind maart naar de televisieuitzending ‘Adoptiebedrog’ van Zembla te kijken, over misstanden rond adopties uit Indonesië. Ze schrokken toen ‘Kasih Bunda’ voorbijkwam. Dat was het kindertehuis waar zij in 1981 hun nu 37-jarige tweeling adopteerden.

„Meteen appten we onze jongens dat ze de uitzending moesten terugkijken”, vertelt Marjan. „Marijn ontplofte zowat. We hebben meteen alle adoptiepapieren doorgespit en daarin stond ook de naam van de tussenpersoon die in de uitzending als onbetrouwbaar afgeschilderd wordt. Dat was opnieuw schrikken.”

Vooral zoon Marijn is helemaal van de kaart, zegt Marius. „Hij vraagt zich af: ben ik verkocht?” De broers gaan een DNA-test doen. „Zij en wij vonden altijd al dat ze zo ontzettend weinig op elkaar lijken. Maar je denkt: ze zullen een twee-eiige tweeling zijn. Nu is daar twijfel over ontstaan.”

„Ik voel me alsof de bodem onder mijn bestaan is weggeslagen.”

De familie Kooistra heeft zich als klager aangesloten bij het initiatief van juriste Dewi Deijle, ook in Indonesië geadopteerd, die namens de stichting Mijn Roots juridische stappen onderzoekt tegen de Nederlandse overheid. Mijn Roots helpt al jaren in Indonesië geadopteerden naar hun familie te zoeken en stuitte daarbij geregeld op fraude.

Eind april hield de stichting een bijeenkomst op de Indonesische ambassade in Den Haag. Daar werd duidelijk hoeveel de uitzending van Zembla heeft losgemaakt onder de ruim zestig aanwezigen. „Ik voel me alsof de bodem onder mijn bestaan is weggeslagen”, vertelde een man van een jaar of veertig en hij barstte in tranen uit.

Tijdgeest

Het is een gevoel dat Joke Kraaij en haar man Kees herkennen. Zij hebben zich als belanghebbenden aangesloten bij de claim. In 1981 adopteerden zij via de Stichting Kind en Toekomst (SKET) een baby, hun nu 37-jarige dochter Sriwarni. Ze hadden een driejarige zoon, maar Joke wilde altijd al adopteren. „Het was de tijdgeest dat er zoveel kinderen op de wereld waren die hulp nodig hadden.”

Toen hun dochter een paar jaar geleden haar familie in Indonesië wilde vinden, namen de Kraaijs aan dat het een eenvoudig klusje zou zijn. Joke: „Ik had alle informatie dacht ik, ook hadden we een foto van haar moeder.”

Al snel bleek het allerminst simpel te zijn. Na veel omwegen werd de halfzus van Sriwarni gevonden. „Hun vader bleek overleden, waar Sriwarni’s moeder was, wist de halfzus niet. Ze wist wel dat de vrouw op de foto absoluut Sriwarni’s moeder niet was.”

Al neemt Sriwarni haar moeder niets kwalijk, toch voelt Joke zich schuldig: „Als adoptieouder bevind ik me aan de vragende kant; omdat er zoveel vraag was, moest er ook aanbod zijn. Ik dacht echt een kind te helpen, nu schaam ik me bijna. Dat ik misschien een moeder beroofd heb van haar kind en mijn kind van haar moeder, dat doet ondraaglijk pijn.”

Juriste Deijle wil dat de staat erkent dat hij verwijtbaar nalatig is geweest. „Al in de jaren zeventig waarschuwde het BIA, de officiële instantie die destijds de adopties coördineerde, voor misstanden”, zegt Deijle. „Het was een terugkerend onderwerp aan het Binnenhof.”

„Dat ik misschien een moeder beroofd heb van haar kind en mijn kind van haar moeder, dat doet ondraaglijk pijn.”

Zo drong VVD’er Ed Nijpels als Kamerlid herhaaldelijk aan op wetgeving omdat „het importeren van pinda’s aan meer voorschriften gebonden” was dan de adoptie van een buitenlands kind. Ook Indonesië vroeg beter toezicht en controle. Maar het ministerie van Justitie vond dat adoptiebemiddeling moest worden overgelaten aan het ‘particulier initiatief’. Indonesië beëindigde in 1983 de adopties om illegale praktijken te voorkomen.

Deijle vindt dat de Nederlandse regering haar „zorg- en informatieplicht” ernstig heeft verwaarloosd. Marjan Kooistra: „In die tijd stonden er wel stukken in de krant dat een kind was gestolen uit Kasih Bunda. Maar als de overheid je niet eens waarschuwt, ga je er vanuit dat het een incident is.” Joke Kraaij: „Je kunt mensen toch niet zo voorliegen en bedriegen? Er is nooit enige twijfel tegen ons uitgesproken. De propaganda was in die tijd alleen maar dat je zo goed bezig was als je adopteerde.”

Deijle eist ook dat de overheid financieel gaat bijdragen aan wat ze „waarheidsvinding” noemt: zoektochten van geadopteerden. Die zijn door de geringe informatie een kostbare aangelegenheid. Zo laten de Kraaijs binnenkort in het gebied waarvan het vermoeden is dat Sriwarni’s moeder daar woont of woonde, weer voor honderden euro’s aan flyers verspreiden.

Afstandelijke reactie

Ook de dochter van Karin en Joop Michel is al veel geld kwijt aan haar zoektocht naar familie. Het echtpaar Michel adopteerde Manon (38) in 1980 via de SKET, op advies van het BIA. Zij verkeerden in de veronderstelling dat het dossier van hun dochter voldoende informatie bevatte toen ze een paar jaar geleden besloot contact met haar familie te willen. Inmiddels is duidelijk dat namen niet kloppen, mogelijk vals zijn, zo ook opgegeven adressen; sommigen hebben zelfs nooit bestaan.

Karin: „Er is al een paar keer contact gezocht met de SKET, maar we kregen een heel afstandelijke reactie: dat het niet kunnen vinden van de biologische familie niet wil zeggen dat er onjuistheden plaatsvonden tijdens de adoptieprocedure. Dus nu richten we ons tot de overheid.”

Het wachten is op antwoord van de regering. Als die de claim afwijst, sluiten Deijle, de zes ouders en hun kinderen een rechtszaak tegen de staat niet uit. Deijle is niet de enige, andere geadopteerden uit Sri Lanka onderzoeken dezelfde optie met advocaten.

De Michels vinden het onvoorstelbaar dat ze deze weg moeten bewandelen. „In feite is dit uiterst privé. Maar het is zo onverkwikkelijk dat we hier wel mee naar buiten moeten komen. We willen dat de verantwoordelijken die de wet hebben overtreden hiervoor boeten.”