Landsadvocaat wil eind aan ‘dit circus’

Molukse gijzeling Opmerkingen van landsadvocaat Houtzagers in het proces over de kaping bij De Punt wekken wrevel op de publieke tribune.

Twee kapers bij de trein in De Punt, tussen Groningen en Assen. De gijzeling duurde van 23 mei tot 11 juni 1977. Foto Anefo

Pas tegen zessen loopt de procesdag in de rechtszaal in het Haagse Paleis van Justitie ten einde. Advocaat Liesbeth Zegveld vertegenwoordigt de families van twee gedode treinkapers in het proces over de gijzeling bij De Punt in 1977 in Drenthe. Ze staat haar tassen in te pakken als landsadvocaat Bert-Jan Houtzagers haar in het voorbijgaan een hand geeft. „Is het nu weer goed?”, zegt Zegveld licht spottend.

De partijen zijn dinsdagmiddag, zoals inmiddels gebruikelijk, flink met elkaar in aanvaring gekomen. Houtzagers betitelde de eisen van Zegveld als „flauwekul” en haar opmerkingen over Dries van Agt, die als verantwoordelijk minister van Justitie de leiding had over de gewelddadige beëindiging van de treinkaping, was volgens de landsadvocaat „onder de gordel”. Op een zeker moment riep de landsadvocaat de rechtbank op „om zo snel mogelijk een eind te maken aan dit circus”. Wat op de publieke tribune onder Molukse familieleden en belangstellenden hoofdschuddend en met afwijzende tongklakjes werd aangehoord.

Disproportioneel geweld

Tijdens deze vermoedelijk laatste procesdag konden partijen voor de laatste keer stelling nemen. Zegveld betoogde dat de staat Max Papilaja en Hansina Uktolseja „zonder noodzaak” en „met disproportioneel ge weld” heeft doodgeschoten. Bij het beëindigen van de drie weken durende treinkaping doodden militairen destijds zes van de negen kapers en twee gegijzelden. Volgens de autopsierapporten werd Papilaja doorzeefd, net als Uktolseja, maar de dodelijke kogel kwam volgens de advocaat van een marinier die hem van dichtbij doodschoot, terwijl hij al was uitgeschakeld. Ook de enige vrouwelijke treinkaper werd volgens Zegveld gedood terwijl zij al bloedend op de grond lag en eigenlijk hulp nodig had.

Houtzagers maakt gehakt van die stelling. Volgens hem was Uktolseja op dat moment op weg naar de gijzelaars om „vreselijk geweld” te plegen. En over Papilaja vraagt hij retorisch: „Had de marinier de deken waaronder hij lag, moeten optillen en vragen hoe het ermee ging?” Wat onder het publiek weer tot hoofdschudden leidde. Volgens de staat valt de stelling van de familie veertig jaar na dato niet met zekerheid te bewijzen.

De rechtbank zal nu afwegen of degenen die de instructies gaven aan de mariniers als getuigen zullen worden opgeroepen. Officieren en, inderdaad, Van Agt. De landsadvocaat liet de oud-premier alvast optreden via het tonen van een fragment van Nieuwsuur. Daarin bezweert de oud-politicus zich niet te kunnen voorstellen ooit opdracht te hebben gegeven tot het doden van alle treinkapers.

    • Frank Vermeulen