De meeste profeten zijn welwillend

Grunberg in het Stedelijk #23

De hele maand mei ‘woont’ en werkt Arnon Grunberg in het Stedelijk Museum Amsterdam, met een groep kunstenaars. Hij schrijft daar dagelijks over.

Negen profeten hebben zich in het Stedelijk verzameld, want ik had een oproep geplaatst dat ik profeten zocht. Kunst, religie, kunstenaar en profeet, zij liggen in elkaars verlengde. Een van de profeten is een dame die zomaar is aangeschoven, haar profetie bestaat uit haar ziektegeschiedenis. Zoals de Hongaarse schrijver Konrád zei: „Op de vraag naar de zin van het bestaan antwoordt iedereen met zijn levensloop.”

Er is Mary uit Iran die in Delft scheikunde doceerde. Ze zegt: „Ik ben een profeet van alles en niets.”

Antoine beweert profeet tegen wil en dank te zijn.

De meeste profeten zijn van middelbare leeftijd en welwillend, al ontvang ik ’s avonds een mail van Frank: „Ik ben de assistent-profeet van Willem. Het experiment in het Stedelijk zou je als een kunstmanifestatie zien welke echter zeker niet als een lekkernij geconsumeerd kan worden. Wat ging er mis? Ik kon je niet verstaan, beste Arnon!!! Ik ben een beetje doof, jij praat nogal zacht.”

De hoop op verstaanbaarheid moet de museumbezoeker laten varen. Iedereen wil verstaanbaar en toegankelijk zijn, in het museum zijn wij om onverstaanbaar te blijven. Doofheid is daar een pre.

Af en toe druipt er toch wat verstaanbaarheid doorheen. Na de profeten geeft Marijn Ottenhof op mijn verzoek een performance met sokken en handpoppen over niet-gewelddadige communicatie waarin vragen aan de orde komen als: stel je bent giraffe, voel je je dan vertegenwoordigd door het museum? Is het museum een veilige plek?

Na de performance komt Hermine op me af die over de zelfmoord van haar zoon wil spreken. „Hij had net zulke krullen als jij”, zegt ze. Ze laat me een foto zien. „Hij schilderde ook”, zegt ze.

Mijn antwoorden zijn misschien ‘niet-gewelddadige communicatie’ maar daarmee is alles gezegd.

Ik drink koffie met Bente, die ik in een eerder stuk ‘stagiair’ heb genoemd, terwijl ze producente is van dit project. Dat vindt ze terecht niet leuk. „Het is te veel voor één persoon”, zegt ze en ze heeft gelijk.

Altijd weer blijken de zinnen van de schrijver gewelddadige communicatie te zijn, als niet voor de een dan wel voor de ander. Schuldbesef is zijn perpetuum mobile, met iedere zin zinkt de schrijver verder weg in het moeras van het schuldgevoel waar hij schrijvend uit probeert te krabbelen.

De handpop biedt uitkomst. Het aapje mag alles zeggen. Het museum is een veilige plek waar het hart eindelijk gelucht wordt.

(Wordt vervolgd)

    • Arnon Grunberg