Nederlandse staat wil vonnis over klimaatbeleid 2020 van tafel

Urgenda-vonnis Moet Nederland al in 2020 meer bereiken voor het klimaat? De staat bepleitte van niet, in het hoger beroep in de Urgenda-zaak.

Urgenda-directeur Marjan Minnesma (rechts) en advocaat Koos van den Berg (in pak, midden) arriveren maandag bij het hoger beroep in de Urgenda-zaak. De processtukken pasten lang niet in één doos. Foto Jerry Lampen / ANP

Het leek even alsof er een wetenschappelijk symposium plaatsvond, maandag in het Haagse gerechtshof. Grafieken over de veranderingen van het klimaat volgden elkaar snel op tijdens het pleidooi van klimaatorganisatie Urgenda. De concentratie CO2 in de atmosfeer is hoger dan in de afgelopen miljoen jaar. Het wordt warmer en de ijskappen op Groenland en Antarctica smelten. Dat klimaatverandering bestaat, en dat het gevaarlijk is, daarover was iedereen het maandag eens.

Maar aan wie is het om Nederland te verplichten om een bepaalde bijdrage te leveren aan het tegengaan ervan? Die vraag stond maandag centraal in het hoger beroep van de Nederlandse staat tegen het Urgenda-vonnis. Die internationaal veelbesproken uitspraak uit juni 2015 verplichtte de Nederlandse staat om zich tot eind 2020 sterker in te spannen om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen.

De belangen zijn groot. Door de Urgenda-uitspraak werd voor de eerste keer ter wereld een staat verplicht tot het nemen van klimaatmaatregelen.

Eindsprint nodig

De uitspraak was een aanmoediging voor burgers elders om klimaatzaken te voeren, zoals vorig jaar in Nieuw-Zeeland, en momenteel in de Amerikaanse staat Alaska. In België is ook al jaren een zaak in voorbereiding, maar die wordt vertraagd door discussie of de voertaal er Nederlands of Frans moet zijn.

Het vonnis in de Urgenda-zaak luidde destijds dat Nederland zijn uitstoot van broeikasgassen (CO2, maar ook andere gassen zoals methaan) in 2020 met 25 procent moet hebben verminderd ten opzichte van het ijkjaar 1990. Want dat is het minimale dat „in de klimaatwetenschap en het internationale klimaatbeleid noodzakelijk wordt geacht”.

Nederland is niet op weg om de deadline te halen. Volgens de laatste prognoses blijft de teller eind 2020 steken rond de 23 procent vermindering van broeikasgas. En zelfs daarvoor zal een eindsprint nodig zijn, want de stand is nu 13 procent.

Lees ook het profiel van Marjan Minnesma, directeur van Urgenda: Niet bang de staat voor de rechter te dagen

Trias politica

De staat ging tegen de uitspraak in hoger beroep omdat hij het „feitelijk en juridisch” oneens was met Urgenda, zei toenmalig staatssecretaris Wilma Mansveld (Infrastructuur en Milieu, PvdA) tegen de Tweede Kamer. „Nog los van de vraag hoe zich dat verhoudt in de trias politica”, voegde ze toe.

En inderdaad: landsadvocaat Bert-Jan Houtzagers en zijn collega Edward Brans betoogden maandag al in het eerste kwartier van de zitting dat de rechter op de stoel van de politiek was gaan zitten. „In wezen maakt de rechtbank zelf een beleidsmatige en politieke keuze”, door te bepalen dat het klimaatbeleid van de regering te gevaarlijk was.

Die „politieke keuze” stamt uit VN-onderhandelingen van destijds, zoals die in Cancún (Mexico) in 2011. Daar werd 25 tot 40 procent minder broeikas-uitstoot in 2020 nadrukkelijk als doel gesteld voor de geïndustrialiseerde landen. Want de wetenschappelijke consensus was: alleen zo blijft de stijging van de temperatuur onder de 2 graden.

De rechtbank vond een kwart minder uitstoot voor een rijk, ontwikkeld land als Nederland de ondergrens. De regering wist dat. Het had de doelen kunnen opschroeven, maar zag daar vanaf omdat de Europese Unie niet verder wilde gaan dan 20 procent. Door zo laag te gaan zitten, verzaakte Nederland zijn „zorgplicht”. De staat handelde daarom onrechtmatig jegens de stichting Urgenda – die voor mens en milieu opkomt.

Landsadvocaat Houtzagers probeerde het hof er maandag van te overtuigen dat de Nederlandse staat géén zorgplicht heeft ten opzichte van een milieuorganisatie. „Bij een keuze die zo’n grote invloed heeft op de Nederlandse samenleving?”, vroeg hij retorisch. „Ik vind werkelijk dat je dan een grensje overgaat.”

En bovendien, bepleitte hij: die 25 à 40 procent is in geen enkel internationaal verdrag vastgelegd. „Het was geen internationaal aanvaarde norm.” Met andere woorden: er was geen „rechtsplicht”.

Jawel, verdedigde advocaat Koos van den Berg namens Urgenda: het was deel van het „mondiaal normbesef”. Dat is deels een juridische discussie. Maar het gaat ook over de basale vraag: wat moet Nederland eigenlijk doen voor het klimaat?

Gekke henkie

De landsadvocaat keek vooral vooruit. Het huidige ambitieuze kabinetsbeleid voor 2030 (49 procent minder broeikasgas) voldoet aan het VN-klimaatakkoord van Parijs, dat na de Urgenda-uitspraak werd gesloten. En: Nederland wil een voortrekkersrol binnen de EU. Tijdens de vragenronde zei Houtzagers: „Klimaatbeleid moet gevoerd worden in internationaal verband, en je bent een gekke henkie als je het anders doet.”

Nederland, betoogde hij eerder die dag, is ook slechts verantwoordelijk voor „zo’n 0,4 procent” van de mondiale uitstoot van broeikasgas. Het kan dus niet zomaar verantwoordelijk gesteld worden voor de risico’s. Dat gereken ging advocaat Van den Berg te ver. Nederland heeft een grote uitstoot per inwoner. En, zei hij, „het recht is geen rekenmachine, en de rechter is geen boekhouder.”

De uitspraak volgt op 9 oktober.

Lees ook dit opiniestuk: Urgenda is gevaar voor rechtsstaat
    • Hester van Santen