Incasseren, in naam van de tolerantie en pluriformiteit

Vrije meningsuiting Wat mag je wel en niet zeggen?

Fawaz Jneid veroorzaakte veel ophef door burgemeester Aboutaleb van Rotterdam een afvallige te noemen. Volgens minister Grapperhaus heeft de imam daarmee geen rechtsregels geschonden. Foto Freek van den Bergh/ANP

In de ogen van velen ging imam Fawaz Jneid onlangs op Facebook te ver door de Rotterdamse burgemeester (en moslim) Aboutaleb op zijn geloof aan te vallen, onder meer door hem ‘afvallige’ te noemen. Radicale salafisten zouden de woorden kunnen opvatten als aansporing tot geweld, reageerde bijvoorbeeld Dick Schoof, nationaal coördinator terrorismebestrijding, in Nieuwsuur.

Daarna ontstond een politiek-publieke mediastorm waarin de Kamer zich flink roerde. De consensus was dat er tegen Jneid strafrechtelijk opgetreden móést worden. En als dat niet kon, was de vraag of de strafwet nog wel toereikend was.

Die vraag beantwoordde minister Grapperhaus (Justitie en Veiligheid, CDA) deze week met een licht beschroomd ‘ja’. Hij liet weten dat het gezag beschikt over een „breed en omvattend instrumentarium” om tegen extremistische uitingen op te treden. Op één of twee punten kan misschien wat worden aangevuld, maar dat is voorwaardelijk geformuleerd: zou kunnen.

Luister ook naar deze aflevering van onze podcast Haagse Zaken, over de vrijheid van meningsuiting en de discussie die losbarstte na de uitspraken van Fawaz Jneid.
U kunt zich ook abonneren via iTunes, Stitcher, Spotify of RSS.

Bovendien legt hij uit dat alle opmerkingen die imam Jneid in zijn Facebookfilmpje maakte juridisch passen binnen het reguliere maatschappelijke debat en geen belediging, smaad, opruiing of haatzaaien bevatten. Van direct oproepen tot geweld was geen sprake. Verder herinnert hij de Kamer eraan dat volgens de Hoge Raad ruimere vrijheid van meningsuiting bestaat als „iemand zijn uitspraken baseert op zijn geloofsovertuiging.

Verder prikt hij de wens van de Kamer om individuen als Jneid een ‘digitaal gebiedsverbod’ op te leggen door als „ontoelaatbare censuur door de overheid”, vooral door het preventieve karakter. Nog afgezien van het feit dat het niet effectief is en „nauwelijks handhaafbaar”.

1 Was bij Jneid geen sprake van inspireren tot mogelijk geweld, via codetaal, door Aboutaleb bijvoorbeeld als ‘afvallige’ te kwalificeren?

Grapperhaus zegt dergelijke uitingen „buitengewoon onwenselijk en verwerpelijk” te vinden en zegt te willen kijken of er wettelijk niet toch iets aan gedaan kan worden. Het gaat dan om context, plaats en omstandigheden waarin zoiets wordt gezegd. Met een ‘contextuele toetsing’ zou alsnog tot strafbaarheid geconcludeerd kunnen worden. Maar concreet wordt de minister niet.

Daarnaast suggereert het kabinet bij uitingen die wél als belediging, smaad of laster kunnen worden beschouwd, een hogere straf te geven als de veiligheid van de beledigde persoon daardoor heeft geleden. Daarvan was in dit geval geen sprake.

2 Waar ligt de grens waar een prediker niet overheen mag?

Anders gezegd: wanneer gaat het vrije woord wél over in haatzaaien, bijvoorbeeld jegens religies, rassen, etnische groepen, nationaliteiten? Of haatzaaien door oorlogsmisdaden als genocide te ontkennen, door totalitair bestuur te bepleiten en geweld of terreur te verheerlijken? In al deze kwesties heeft het Mensenrechtenhof in Straatsburg al beoordeeld of dat in een bepaald geval wel of niet mocht.

Daarbij staat artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) steeds centraal. Dat kent de burgers van 47 aangesloten landen het recht toe op vrijheid van meningsuiting. Het verdrag heeft in Nederland directe werking. Iedere burger kan er in de rechtszaal een beroep op doen of de uitspraak na veroordeling alsnog laten controleren door ‘Straatsburg’. Inhoudelijk overlapt het de Nederlandse Grondwet. In artikel 10 staat: „Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen.”

3 Welke beperkingen mogen Europese landen op het EVRM aanbrengen?

Die staan in lid 2 opgesomd. De beperking moet om te beginnen geformuleerd worden in een wet; die wet moet aan een „dringend sociale behoefte” tegemoetkomen. Er moet duidelijk in staan dat de inperking in het belang is van „de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid”, dan wel om „wanordelijkheden en strafbare feiten” te voorkomen. Of „ter bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.”

Dat geeft de 47 landen, inclusief Nederland, op het oog heel wat ruimte om mensen die met hun uitingen hinderlijk, kwetsend of beledigend zijn daarvoor te bestraffen. Toch is de hele Europese jurisprudentie doordrenkt van het idee dat zoiets nooit ‘zomaar’ mag.

4 Hoe belangrijk is uitingsvrijheid in een democratie volgens Straatsburg – en waar moet de Nederlandse rechter dus rekening mee houden?

Het Hof trekt in het Handyside-arrest uit 1976 alle registers open. De vrijheid van meningsuiting is essentieel. Het is één van de basisvoorwaarden voor een democratie, fundamenteel voor de vooruitgang en voor de ontwikkeling van iedere burger. Het gaat bij informatievrijheid nadrukkelijk niet alleen over ideeën waar iedereen het wel over eens is, maar juist over gedachten die „kwetsen, schokken of ontregelen.” Ofwel ‘shock, offend and disturb’ – deze drie begrippen vormen een beroemde maatstaf voor wat allemaal wél mag. Zonder pluriformiteit, tolerantie en ruimdenkendheid kan van een democratie geen sprake zijn, zegt het Hof. En: iedere beperking die aan de uitingsvrijheid wordt opgelegd, moet in een redelijke verhouding staan tot die idealen. De grondregel is dus: incasseren, alstublieft, en wel in naam van de tolerantie en de pluriformiteit.

Ook Grapperhaus laat de Kamer weten „dat we het recht op vrijheid van meningsuiting respecteren en dat hieruit beperkingen voortvloeien voor de mate waarin de overheid kan ingrijpen in het publieke debat”.

5 Hoe streng is Straatsburg tegen landen die desondanks kwetsende, discriminerende of anderszins onaangename stemmen verbieden?

Hier wordt het spannend, want het Hof laat lidstaten een eigen beoordelingsmarge toe. Straatsburg wil niet rigoureus in de culturele, historische of religieuze verschillen tussen al die landen snoeien om daar één Europese opvatting voor in de plaats te stellen. Dat leidt dus tot behoedzaamheid – soms mocht een land wel optreden en soms niet. In het Erbakan-arrest in 2006 zei het Hof dat beperkingen in beginsel mogelijk zijn als op basis van intolerantie haat wordt verspreid, bevorderd of gerechtvaardigd of daartoe wordt opgeroepen.

Die beperkingen moeten wel proportioneel zijn – dus in redelijke verhouding staan tot het doel dat ze dienen, meestal veiligheid en stabiliteit. Dat doel moet legitiem zijn. En er moet een ‘dringende sociale noodzaak’ voor zijn. Een boete moet dan kunnen worden opgelegd, of een lichte vrijheidsstraf. En de fundamentele waarden van het EVRM moeten door zo’n publicatie ernstig zijn bedreigd.

6 Heeft iedereen hetzelfde recht op uitingsvrijheid?

Politici, gekozen bestuurders en publieke figuren moeten meer kunnen hebben dan ‘gewone’ mensen. De vrijheid van de pers om hen te kritiseren ziet het Hof als een hoeksteen van het vrije politieke debat en als ‘de kern van het concept van een democratische samenleving’, die het Hof wil beschermen. Ook buitenlandse staatshoofden worden door Straatsburg niet snel beschermd tegen ‘beledigingen’.

Schrijvers, redacteuren of uitgevers die in hun eigen land zijn veroordeeld wegens strafbare uitlatingen, worden door Straatsburg juist éxtra beschermd. Ook journalisten die schrijven over racistische bewegingen, mochten daar niet in worden tegengewerkt. Dat gold dan weer niet voor een man die in een boek het nazisme wilde goedpraten en ontkende dat de Holocaust ooit plaatsvond. Het herschrijven van de geschiedenis vond het Hof een vorm van oproepen tot rassenhaat, een ernstige bedreiging van de openbare orde – en dus niet in overeenstemming met democratie en mensenrechten, de waarden waar het Verdrag voor staat.

7 Heeft de rechter ooit een prediker veroordeeld die iemand een afvallige noemde in de salafistische context?

Jazeker, maar het woord ‘afvallige’ alleen was niet genoeg. Het hof Den Haag bestrafte in mei vorig jaar een man die op sociale media oud-politica Ayaan Hirsi Ali en hoogleraar Afshin Ellian aanduidde als „prominente afvalligen” en hun toevoegde „moge Allah ze bestrijden en laten lijden”. De man attendeerde bovendien „iedere moslim” op het voorbeeld van de aanslag in Parijs, op de redactie van Charlie Hebdo. Het Openbaar Ministerie vond dat voldoende om te spreken van het „impliciet oproepen tot geweld”.

De man kreeg twee maanden voorwaardelijk en 180 uur taakstraf. De rechter vond dat de uitlatingen niet anders konden worden opgevat dan als opruiend, dan wel „aanzettend tot haat of discriminatie.”

Hieruit blijkt dat de formulering zeer nauw luistert. ‘Afvallige’ alleen was hier niet voldoende; de verwijzing naar ‘Parijs’ en het aanroepen van Allah om hen te ‘laten lijden’ zijn ook van belang. En zulke uitlatingen heeft Jneid niet gedaan.

    • Folkert Jensma