Opinie

    • Ellen Deckwitz

As

‘Nou wij hebben gisteren dus zoiets leuks gedaan”, zegt mijn moeder als ik de telefoon opneem, „We zijn naar het open huis van het nieuwe crematorium geweest!” „Ik wist niet dat de oude op was”, zeg ik. „Het is zo mooi geworden”, vervolgt ze, „en iedereen kwam langs, buurman Jan, Riet, de mondhygiëniste. We hebben alles gezien, de ovens, of wacht Jan er was maar één oven toch, (vader bromt iets op achtergrond), oh ja één oven, het is dus niet zo’n groepsgebeuren en het knappe is, de lucht wordt erna zo goed gefilterd dat ze daarna veel minder fijnstof bevat dan de buitenlucht!”

„Dat is best dom van dat crematorium”, zeg ik, „zo moeten ze langer wachten op toekomstige klanten.”

„En het proces is zo efficiënt”, zegt ze vol bewondering, „na een uurtje is er gewoon 3,5 kilo over en die schudden ze dan nog netjes tegen de klonten en gaat dan keurig in een urn, je kunt er niets van zeggen. En kinderen mochten ook een kijkje nemen! En weet je wat je vader toen zei, tegen zo’n klein blond jongetje: „Dat is papa’s laatste slaapkamer!” En toen zei ik: „Het is gewoon een aflevering van Heel Holland Bakt! Wij lachen joh!”

Normaal zou ik ook lachen, ware het niet dat mijn vader een niet te opereren aneurysma heeft en dus elk moment/jaar dood neer kan vallen. Wat ook niet helpt is dat hij nog steeds de ene slof sigaretten met de andere aansteekt en daarmee alle fijnstofcompensatie van het nieuwe crematorium ongedaan maakt. Daar komt bij: ik heb zelf ook een tijdje in de uitvaartindustrie gezeten en nergens heb ik grotere afpersers gezien dan daar. Een van mijn collega’s zei altijd, en ik citeer, dat hij voor geld over lijken ging.

‘Je hebt er ook een asbestemmingsadviseur”, juicht mijn moeder, „en er stond ook zo’n kraampje waar ze hangers verkochten waar dan de as van je geliefde in kan, ja toch Jan, wil ik straks ook, dan heb ik je altijd bij me!” Oh stop, dat verandert de zaak.

„Oh maar wacht”, zeg ik, „ik wil ook wat as! Dat is leuk, dan kan het in een zandloper, superpoëtisch dat ik dan de as van mijn vader gebruik om het vergaan van tijd te meten!”

„Ja, nee dat kan niet”, zegt mijn vader (blijkbaar stond de telefoon al die tijd op de speaker), „As is te fijn, dat valt niet, dat verstopt, je moet het tot knikkers persen, dan wil het wel.”

„Zo kan hij wel weer hahaha”, zegt mijn moeder opgewekt. „Nou, we gaan hangen. Zodra je weer eens thuis bent moeten we er echt een bezoekje aan brengen.”

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.

    • Ellen Deckwitz