Was het een executie of noodzakelijk en proportioneel geweld?

De Punt

Dinsdag is de laatste procesdag in de zaak aangespannen tegen de staat door familieleden van twee gedode Molukse treinkapers. Vier vragen over de rechtszaak.

De laatste procesdag, dinsdag in Den Haag, aangespannen tegen de staat door familieleden van twee gedode Molukse treinkapers, is het voorlopig sluitstuk van een bewogen geschiedenis. Aan de orde is de vraag of de staat verwijtbaar heeft gehandeld bij de gewelddadige beëindiging van de gijzelingsactie bij De Punt in Drenthe.

Onze verslaggever Frank Vermeulen is aanwezig bij de zaak. Hij twittert live vanuit de rechtbank (lees vier vragen over de zaak hieronder):

  1. Wat is er gebeurd in Drenthe in 1977?

    Een groep van negen jonge Zuid-Molukkers gijzelde op 23 mei 54 inzittenden van een trein onderweg van Assen naar Groningen. Simultaan gijzelden vier anderen 105 kinderen en vijf leerkrachten op een basisschool in Bovensmilde. Ze eisten dat de regering zich zou inzetten voor een onafhankelijke Republiek der Zuid-Molukken (RMS). De schoolkinderen werden na vier dagen vrijgelaten. Bij de beëindiging van de treinkaping op 11 juni werden zes Molukse jongeren en twee gijzelaars door de antiterreureenheid gedood.

  2. Lees ook: Kabinet overwoog drastisch eind aan kaping bij De Punt
  3. Wat was de achtergrond van de actie?

    In 1951 werden in de nasleep van de Indonesische onafhankelijkheid 12.500 Molukse militairen van het voormalige koloniale leger (KNIL) en hun gezinnen overgebracht naar Nederland. De belofte dat dit tijdelijk zou zijn, in afwachting van terugkeer naar een eigen Molukse republiek, werd door de regering niet nagekomen. Dat, het gedwongen ontslag uit het leger en de behandeling als tweederangsburgers veroorzaakte bitterheid in Molukse kring. Dat leidde tot zeker acht gewelddadige, volgens de rechtbank „deels terroristische”, acties van Molukse jongeren tussen 1970 en 1978.

  4. Wat zijn de eisen van de familie?

    De nabestaanden willen dat de rechtbank vaststelt dat de staat onrechtmatig heeft gehandeld door de beide gijzelnemers „zonder noodzaak” dood te schieten. Zij eisen daarvoor smartegeld. Volgens de familie hebben de mariniers van de antiterreureenheid (BBE) beide kapers geëxecuteerd, omdat zij van dichtbij zijn neergeschoten met internationaal verboden dumdumkogels op het moment dat zij al uitgeschakeld waren door ernstige verwondingen. Het geweld was buitenproportioneel, in strijd met de verdragsmatig vastgestelde bescherming van het recht op leven en ook in strijd met de eigen geweldsinstructie. De familie stelt dat er door de regering een geheime instructie is gegeven om alle gijzelnemers te doden.

  5. Wat is het verweer van de staat?

    De staat bestrijdt dat er mensen zijn geëxecuteerd en dat er een geheim bevel was om dat te doen. Ook was het geweld noodzakelijk en proportioneel. Bovendien was het voor de mariniers in de fractie van een seconde dat zij moesten optreden niet mogelijk om vast te stellen of de kapers inderdaad uitgeschakeld en ongewapend waren. Ook zou de kwestie zijn verjaard.

    • Frank Vermeulen