Opinie

Tijd om leidinggevenden in de rechtszaal te horen over De Punt

Het is precies 41 jaar geleden dat Molukse treinkapers het land in spanning hielden met gijzelingen in een trein bij De Punt in Drenthe en in een lagere school in Bovensmilde. Na drie weken was er algemene opluchting toen er op 11 juni 1977 met een grootscheepse militaire operatie een eind was gemaakt aan de verschrikking voor de 54 mensen in de trein, en de vijf onderwijzers in de school. Eerder waren al 105 kinderen vrijgelaten.

Dat militairen bij de operatie in de trein naast twee gegijzelden ook zes van de negen kapers doodden, leidde – behalve bij hun naasten – niet tot brede verontwaardiging. Eerder omgekeerd. In de ministerraad, weten we inmiddels uit de notulen, waarschuwde premier Joop den Uyl (PvdA) zelfs voor „openlijk vertoon van triomfalisme”.

Nabestaanden van twee gedode treinkapers die de staat voor de rechter hebben gedaagd op beschuldiging van opdracht gegeven te hebben tot het doden van de gijzelnemers, kunnen in de regel niet op veel begrip rekenen. Hadden die kapers in hun strijd voor een onafhankelijke Republiek der Zuid-Molukken (RMS) niet zelf onschuldige burgers, zelfs kinderen, met de dood bedreigd? Zulke kapers hadden immers bij een eerdere treinkaping, in 1975 bij Wijster, zelf drie mensen koelbloedig doodgeschoten, voor het oog van de camera’s.

Ofschoon begrijpelijk, is die houding niet juist. In een rechtsstaat als de Nederlandse geldt niet het oog-om-tand-om-tand-beginsel. De toepassing van geweld door de staat is terecht onderworpen aan strikte regels. Dat is juist het verschil tussen overheidsgeweld en terreur. Burgers staan dus in hun recht wanneer zij vragen stellen over de wijze waarop de wet is gehandhaafd, ook al was dat in 1977 en waren in dit geval de slachtoffers zelf verdacht van een terreurdaad.

Deze dinsdag dient in Den Haag de (waarschijnlijke) slotzitting inzake De Punt. Het gaat hierbij om meer dan alleen de vraag of de mariniers ten onrechte de trekker hebben overgehaald.

Dit is in veel opzichten een historisch proces. Anders dan de ideologische terreur in die tijd in Duitsland van de Rote Armee Fraktion of in Italië van de Rode Brigades , hangt het geweld van de Molukse jongeren nauw samen met de afwikkeling van de kolonie Nederlands-Indië. Het meevoeren van manschappen van het koloniale leger (KNIL) naar Nederland, het niet nakomen van de belofte van een spoedige terugkeer maar ongewilde demobilisatie en een stroeve ontvangst, maken de staat medeverantwoordelijk voor het creëren van een voedingsbodem voor extremisme dat om zich heen kon grijpen.

Bij alle feiten en omstandigheden die de rechters moeten wegen, is ook de vraag of het optreden van de staat niet buiten proporties was, met inzet van luchtmacht, kikvorsmannen, mariniers, pantserwagens (bij de school) en het verschieten van duizenden patronen. Dit was de grootste militaire operatie in Nederland in vredestijd. En ook die draagt sporen van het koloniaal verleden: destijds was het intimidatie van de ‘inlanders’ door machtsvertoon. In dit geval ook een signaal naar de Molukse woonoorden.

Op zoek naar de rechtmatigheid van de geweldstoepassing, waarbij bewindspersonen nota bene „accepteerden dat de gijzelnemers het geweld niet zouden overleven”, zijn oud-mariniers gehoord. Hun getuigenissen bleken afgestemd onder regie van het ministerie van Defensie. Daarnaar loopt nu terecht een onderzoek door het OM. Het optreden van individuele mariniers is relevant. Maar zij staan hier niet terecht. Die intense bemoeienis van het ministerie vestigt de aandacht op degenen die verantwoordelijk waren voor het organiseren van dit theater van geweld: officieren en toenmalig minister van Justitie, Dries van Agt. Zij hebben via de media gezegd dat het toegepast geweld rechtmatig en proportioneel was. Ze hebben er recht op dat ook nog eens in de rechtszaal te doen. Onder ede.

In het Commentaar geeft NRC zijn mening over belangrijke nieuwsfeiten. De commentatoren schrijven deze artikelen in samenspraak met de hoofdredactie.