Over de oorlog mag je niet spreken

Grunberg in het Stedelijk #22 De hele maand mei ‘woont’ en werkt Arnon Grunberg in het Stedelijk Museum Amsterdam, met een groep kunstenaars. Hij schrijft daar dagelijks over.

Ik stelde voor om met de kunstenaars te gaan eten want in het Stedelijk leef je langs elkaar heen. Wat weet ik van hen, behalve dat ze op een enkele uitzondering na uit Syrië komen?

We zitten in Panini, de helft van hen is niet komen opdagen, maar dat gebeurt vaker. Het museum is misschien geen ideale werkplek. Bovendien is niet op komen dagen een mensenrecht. Wel zijn er twee mensen van de organisatie Makers Unite die bemiddeld heeft tussen de kunstenaars en het museum.

Razan, een jonge vrouw met gedeeltelijk blauw haar, die officieel niet bij de groep hoort maar die heeft samengewerkt met Nasam, is er ook. Er is een conflict ontstaan tussen Nasam, die aan een conceptueel kunstwerk bezig is getiteld Falling into Nothingness, dat over de diaspora gaat, en Razan. Volgens Razan is het conflict politiek, volgens Nasam persoonlijk en artistiek.

Razan had in een van haar korte films een citaat uit een toespraak van Assad toegevoegd, dat wilde Nasam niet. Razan had me in een e-mail geschreven dat veel gevluchte Syriërs nog altijd leven als onder Assad; bang om zich uit te spreken, altijd bereid tot zelfcensuur. Ook zou er een verschil zijn tussen hoe er onderling over de oorlog wordt gesproken en hoe men daarover spreekt tegenover buitenstaanders. Begrijpelijk. Al eerder had ik gemerkt dat het moeilijk is om over de oorlog te spreken. Bovendien is het de vraag: wil ik over het conflict spreken of willen zij dat?

Ook in het Italiaanse restaurant blijkt dat over de oorlog niet gesproken kan worden. Vermoedelijk omdat iedereen in Syrië zulke radicaal andere ervaringen had dat spreken over de oorlog een beerput opent die gesloten moet blijven in het Stedelijk en in Panini.

Maar Mazen zegt: „Ik kan je wel wat over mijn jeugd vertellen. Ik kom uit de stad As-Suwayda in het zuiden van Syrië, uit een familie van druzen. Als ik

ziek was zei mijn grootmoeder spreuken over het water dat ik moest drinken, waardoor ik zou genezen. Zij las voortdurend in het heilige boek van de druzen dat Wijsheid heet. Haar gezicht was bedekt met een witte ietwat doorschijnende stof, maar toen ze ouder werd was haar neus zo groot dat die door de stof heen kwam. De mensen uit As-Suwayda spreken een ander Arabisch. Wij zijn hard en robuust.”

„Ah,” zegt Saed, die uit Aleppo komt, „As-Suwayda, dat is het buitenland.”

(Wordt vervolgd)

    • Arnon Grunberg