Hoe het gevoel van de lente voorbijging

Vanuit Princeton, New Jersey, schrijft over wat haar opvalt. Vandaag: over de leegte na de moord op Robert Kennedy.

Illustratie Eliane Gerrits

Rich Rein, een lange, magere man van 71, was vijftig jaar geleden redacteur van de studentenkrant The Daily Princetonian. Op 6 juni 1968, de dag na de moord op senator Robert F. Kennedy, belde zijn campagneteam. Of hij mee wilde rijden op de trein die het lichaam van Bobby van New York naar Washington zou brengen. Kersverse weduwe Ethel had bedacht dat ook studenten van die gebeurtenis verslag zouden doen. En zo belandde Rein op die historische treinreis.

Het campagneteam zat nog in de adrenalinerush. Het besef dat Bobby dood was, was nog niet ingedaald. Men dronk wat, praatte al grappend en kibbelend over politiek. Ethel, hoogzwanger, schudde iedereen de hand en maakte een praatje. Veel te laat vertrokken ze van Penn Station in Manhattan.

„Het gepraat over politiek verstomde al snel toen het tot ons doordrong dat langs de spoorlijn mensen op ons stonden te wachten”, vertelt Rein. „Niet alleen bij de stations, maar langs het hele spoor, kilometer na kilometer. Uren moeten ze in de volle zon hebben staan wachten om een glimp van ons op te vangen.”

„Ik heb een vage herinnering aan Teddy Kennedy in St. Patrick’s Cathedral en de familie Kennedy die een eeuwige vlam aanstak op Arlington Cemetery. Ik heb onduidelijke beelden in mijn hoofd van biddende nonnen, mensen die elkaars handen vasthielden en Glory, glory, hallelujah zongen. Van wapperende vlaggen en zakdoeken. Maar ik herinner me haarscherp een verloren padvinder in uniform die zijn hand hief in een saluut terwijl we hem passeerden.”

Samen met Rein kijk ik naar de foto die Paul Fusco vanuit de trein maakte van het stationnetje in Princeton. Vierduizend mensen hadden zich daar verzameld op die bloedhete woensdag in juni. Het is alsof we door een sleutelgat van vijftig jaar naar een verleden staren.

Vooraan staan vrouwen in bloemetjesjurken, jongetjes in korte broeken en een kort-Amerikaanse coupe. Een man in een pastelkleurig overhemd met das houdt een Kennedy-campagneposter vast. Allemaal lijken ze weggelopen van de afwas, de middagboterham, school, het deur-tot-deurverkoopgesprek. De sfeer is er een van verslagenheid.

„Nu nog verbaas ik me over de stroomversnelling waarin alles plaatsvond in dat jaar”, vertelt hij. „Gebeurtenissen buitelden over elkaar heen. Maar in september 1968, bij het begin van het nieuwe academische jaar was er weinig van over.”

Zo vatte Reins krant het gevoel van anticlimax samen: „Praag is rustig, Chicago is rustig. Columbia is ook kalm. Martin Luther King is dood. Robert Kennedy is dood. Het gevoel van de voorbije lente is dood. [...] McCarthy en Kennedy leken een kans te hebben een nieuwe richting te geven aan dit land. Nieuw elan leek te zijn ontstaan in Tsjecho-Slowakije, Frankrijk, New Hampshire en Columbia. Maar dat is voorbij. Humphrey, Johnson, Nixon, Wallace, Daley – zij leven.”

„Zij die afgelopen lente in Princeton waren en die vooropliepen bij de demonstraties, zullen zich weer bezig gaan houden met het bouwen van betere bars en het plaatsen van erotische lichtfiguren in de vensterbank. Welkom thuis.”

Reacties naar pdejong@ias.edu
    • Pia de Jong