Recensie

Albrechts Berlioz is rauwer dan die van Blomstedt

2 x Symphonie Fantastique

Twee orkesten buigen zich binnen een paar dagen in het Concertgebouw over de Symphonie Fantastique van Berlioz. Was er een winnaar? Of is muziek geen sport.

Marc Albrecht, dirigent van het Nederlands Philharmonisch Orkest. Foto Marco Borggreve

Viermaal de Symphonie Fantastique van Hector Berlioz in vier dagen in Het Concertgebouw door de twee grote Amsterdamse orkesten. ‘Is dit beleid of is hierover nagedacht’, zou Jan Schaefer zaliger zeggen. Slechte planning of goed plan, deze samenloop bood een mooie kans om het Koninklijk Concertgebouworkest en het Nederlands Philharmonisch Orkest te vergelijken.

De aanloop verschilde hemelsbreed: dirigent Herbert Blomstedt (90) koos met het Concertgebouworkest voor de Derde Symfonie van de Zweed Berwald, een tijdgenoot van Berlioz, wiens grillige stijl ook op publiek onbegrip stuitte. Marc Albrecht (54) en zijn NedPho daarentegen doken - als opmaat - de tweede helft van de twintigste eeuw in met de rijk georkestreerde liederen van Frank Martin en het woelige en verontrustende Adh-dhor van Benjamin Attahir, erfgenamen van Berlioz.

In de Symphonie Fantastique zelf was er ook sprake van een spiegeling: Blomstedt zette de celli links van hem en de vier harpen rechts, en liet op de gang de ijle hobo van boven klinken en de zware klokken van beneden. Albrecht deed dat net andersom. Hij besloot eveneens tot een wat donkerder strijkersklank met twee altviolen, celli en contrabassen meer dan Blomstedt. Dit laatste betaalde zich vooral uit in het huiveringwekkende slot.

Berlioz’ Symphonie Fantastique is de muzikale droom van een jongeling, wiens verliefdheid ontaardt in obsessie. In de eerste drie delen - de ontmoeting, een bal en een bergachtig tafereel - overheerst de lieflijkheid. Na een overdosis opium belandt de hoofdpersoon in de slotdelen in een duister delirium, met nachtmerries over zijn onthoofding en een heksensabbat.

Dirigent Herbert Blomstedt met het Gewandhausorchester in Leipzig, 2001. Foto Wolfgang Kluge/ EPA

Blomstedt bereikte een volmaakt evenwicht tussen de strijkers en de andere instrumentgroepen: elke noot bleef verstaanbaar. En met name de blazers kleurden prachtig. Onder zijn handen groeide de muziek uit tot een helder ooggetuigenverslag. In de rauwere Albrecht-vertolking werd het publiek zelf ‘ooggetuige’. In beide gevallen een belevenis. Wie er won? Op zo’n topniveau blijkt die vraag niet van belang. Muziek is geen sport. Het verschil zat hem niet in beter, maar in anders.

    • Joost Galema