'We waren ons voortdurend bewust van onze afkomst'

Ambassadeur VS Als Amerikaans ambassadeur vertegenwoordigt hij ook het anti-immigrantenbeleid van president Trump. Zelf verhuisde Pete Hoekstra in 1956 van Groningen naar de gereformeerde kolonie Holland in Michigan.

Pete Hoekstra met kinderen tijdens Tulip Time in Holland, Michigan – Hollandser dan in Nederland.

Er ligt een pak sneeuw als de familie Hoekstra aankomt in het Amerikaanse Michigan. In hun nieuwe huis aan het meer wacht een sponsorgezin hen op. „Ze keken naar mijn broer en vroegen: ‘Wat is zijn naam? Andries? Oké, we noemen hem Andrew.’ Toen keken ze naar mijn zus Gettie. ‘Oké, haar naam hier wordt Grace.’”

Pete Hoekstra, Amerikaans ambassadeur in Den Haag, weet er zelf niets meer van. Over de verhuizing van Groningen naar Holland, Michigan, heeft hij van zijn ouders gehoord. Hij was toen 3 jaar. „Ze keken naar de jongste en vroegen: ‘Wat is zijn naam? Cornelis? Die naam kennen we hier niet. Wat is zijn tweede naam? Peter? Dan wordt hij Pete.”

Terug in Nederland kreeg de Republikein afgelopen december – 61 jaar nadat hij emigreerde – geen warm welkom. Aanleiding waren uitspraken in 2015, toen hij zei dat in Nederland no-gozones bestaan waar auto’s en politici in brand worden gestoken. Toen Nieuwsuur hem om opheldering vroeg, beschuldigde hij correspondent Wouter Zwart van verspreiding van nepnieuws.

Groningen

Hoekstra bood later excuses aan. „It was ugly”, zei hij tegen de Leeuwarder Courant. „Ik heb een fout gemaakt. Maar je gaat door en doet je werk.”

Als enige van de geëmigreerde kinderen Hoekstra bleef Pete geïnteresseerd in Nederland. Toen hij eind jaren zeventig terugkwam van een bezoekje aan Groningen, vroeg hij zijn ouders meteen waarom ze waren verhuisd. „The Netherlands is beautiful.” Om het slechte weer, legden ze uit.

Dat zei zijn moeder in 1992 ook tegen onderzoekers van Hope College, Pete’s voormalige universiteit, die de integratie van migrantengezinnen onderzochten en naar drijfveren en ervaringen vroegen. „Wanneer we een zondagse wandeling wilden maken, regende het altijd. We zeiden: laten we naar een warm land gaan”, vertelde ze.

Maar het klimaat was niet de enige reden, aldus Pete. „Ze zeiden: ‘In 1956 was Nederland niet zo mooi.’ Mijn vader had een kleine bakkerij maar ze zagen er geen toekomst voor hun kinderen.”

Freerk en Hendrikje – Frits en Helen in de VS – openden de bakkerij in de E. Thomassen à Thuessinklaan in Groningen vlak na de oorlog. De stad was in april 1945 bevrijd. Acht maanden later trouwden ze en begonnen in de kapotgeschoten straat een nieuw leven. „We hadden een mooie winkel”, vertelde Helen. „Het was altijd druk. Op zaterdag stonden we met vijf of zes mensen achter de toonbank.” Frits maakte soms wel zestig uur per week.

Maar het zware werk begon hun tegen te staan. Net als de regels en wetten in Nederland. „Je mocht niet voor vijf uur beginnen met bakken. En voor tien uur mocht je geen warm brood verkopen”, klaagde het stel. „We zijn vertrokken omdat we die regels maar niks vonden”, zei Frits in het Hope College-interview.

Stad vol kerken en klompen

Op 3 december 1956 vertrok de familie per KLM-toestel naar de VS. De reis duurde drie dagen. De gereformeerde kerk hielp ze. Onderdak en werk werden door de geloofsgemeenschap geregeld. Frits kon meteen aan de slag bij een patisserie aan Eighth Street in Holland; een gereformeerde kolonie die in 1847 werd gesticht door Nederlandse calvinisten. Een stad vol kerken, windmolens, klompen en tulpen.

Het is er Hollandser dan in Nederland, constateerde de familie. „Nog nooit hadden we zoveel klompen gezien”, lachte Helen. De kinderen deden meteen mee aan de Tulip Time-parade. Ze voelden zich er thuis. Het gezin werd opgenomen in de Central Avenue Christian Reformed Church. De scholen waren goed en de leden deelden hun normen en waarden.

Toch bleek integreren moeilijk. „We werden altijd als anders gezien”, vertelt ambassadeur Hoekstra. „Alle families hadden een Nederlandse achtergrond, maar wij waren fresh Dutch. Zij hadden vrijwel geen band meer met Nederland. Wij wisten dat moeder uit Winsum kwam en vader uit Sint Nicolaasga. M’n vader vertelde altijd dat hij vanwege zijn zware accent niet in aanmerking kwam voor de kerkenraad.”

Frits had drie jaar Engelse les gehad, maar kon de taal niet spreken toen hij in Michigan aankwam. „We hadden het er moeilijk mee”, vertelde hij. Ze leerden Engels via de televisie, de radio en hun kinderen. „Toen we dertig, veertig, vijftig jaar oud waren, vonden de kinderen het verschrikkelijk als we Nederlands spraken. Ze schaamden zich ervoor dat we geen Engels spraken”, aldus Frits.

„We spraken thuis voornamelijk Nederlands”, herinnert Pete zich. „Tot ik een jaar of tien was en mijn broer of zus een date mee naar huis nam. Toen móésten we wel over op het Engels.” Bidden in het Engels bleef zijn vader lastig vinden. „Pas aan het eind van zijn leven voelde hij zich voldoende op z’n gemak om in het Engels te bidden aan tafel. Meestal gebeurde dat in het Nederlands. We waren ons voortdurend bewust van onze afkomst, en dat we ‘anders Nederlands’ waren dan de mensen daar.”

Een tulpenveld in Holland, Michigan, in het noorden van de Verenigde Staten, ongeveer 200 kilometer ten oosten van Detroit. Het stadje, dat ongeveer 33.000 inwoners telt, is in 1847 gesticht door protestantse migranten uit Nederland. Foto Amsterdam Press Agency

Met diezelfde blik keek de familie Hoekstra later naar andere immigranten. Frits en Helen vonden het maar niets dat de Latino’s in hun omgeving geen Engels wilden spreken. „Wij proberen Engels te leren, maar die mensen spreken alleen Spaans. Als de ouders een winkel binnenlopen, nemen ze altijd een kind mee om als tolk te fungeren”, zei Helen in 1992. Vietnamezen en Cambodjanen waren harde werkers, zagen ze. Maar hun komst leidde volgens hen ook tot meer criminaliteit in Holland. „Jaloezie tussen de kleurlingen en Vietnamezen en Cambodjanen. Ik denk dat de kleurlingen en Latino’s het niet leuk vinden dat Vietnamezen en Cambodjanen ze snel voorbij streven.”

Pete Hoekstra wil die uitspraak nu nuanceren. „Als je deze quote 26 jaar later uit de context van het interview haalt, kan die mijn ouders in een kwaad daglicht stellen”, zegt hij. „Maar mijn ouders wisten wat het was om immigrant te zijn. Bij dat interview werden ze door een onderzoeker verzocht om eerlijk te zijn over de uitdagingen waarvoor ze kwamen te staan, en de moeilijkheden waarvoor ze anderen gesteld zagen.”

Toen ze hun huis verkochten aan een Latino-familie, werden zijn ouders daarop aangekeken. Hoekstra: „Mijn vader wilde anderen dezelfde kansen en mogelijkheden geven die hij ook had gekregen, om een leven op te bouwen in Amerika, ongeacht waar ze vandaan kwamen.”

Hoekstra beklemtoont dat zijn ouders bewust kozen voor een leven in Amerika. „Ze besloten: dit is ons nieuwe thuis. Wij worden met onze kinderen Amerikanen.” En anderen zouden dat ook moeten doen, vonden vader en moeder Hoekstra.

Pete gaat op jacht naar congreszetel

In hetzelfde jaar dat zijn ouders werden geïnterviewd over hun entree in de Amerikaanse samenleving, deed Pete een gooi naar een zetel in het Amerikaanse congres. Het was zijn eerste stap de politiek in. Kennissen en familieleden wezen erop dat hij nog niet eens in het schoolbestuur had gezeten. Maar Pete liet zich niet tegenhouden. Hij nam het op tegen Guy Vanderjagt, die al 26 jaar voor de Republikeinen in het congres zat. Vader Hoekstra ging deuren langs om handtekeningen te verzamelen. „In Nederland is politiek alles”, aldus Helen. „Dat hebben we echt gemist. Wij houden ervan om over politiek te praten.”

Tegen alle voorspellingen in won Hoekstra. Het ging als een schokgolf door de natie. „We beat ’em”, zei z’n moeder trots tegen Nieuwsblad van het Noorden. Voor z’n ouders was dat ook het moment dat ze zich eindelijk Amerikaan voelden. „En dat vind ik heel belangrijk”, zei Frits.

Zijn Nederlandse achtergrond maakte het voor Pete niet gemakkelijk om door te dringen tot de Amerikaanse politiek, meenden z’n ouders. „Hij heeft afwijkende ideeën. Onze ideeën”, vertelde Frits. Een daarvan is Frits’ verbazing over het ontbreken van een officiële taal in Amerika. „We spreken Engels, maar het is niet de echte taal.” Ook Pete verwondert zich daarover. Hij heeft meerdere keren gestemd voor erkenning van Engels als de officiële taal in de VS, maar zonder succes.

Zondag: kerk, zondagsschool en koor

Pete werd op z’n Nederlands opgevoed, zeiden z’n ouders, en op gereformeerde leest. Dat betekende voor the little one dat zijn zondagen altijd volgepland waren. „Op zondag konden de kinderen niets doen”, vertelde Helen. „Ze moeten eerst naar de kerk, daarna zondagsschool, en ’s middags naar koor en catechisatie.”

Tot Frits het beu was. Door de lange dagen in de bakkerij zag hij zijn kinderen nauwelijks meer. Helen: „Mijn man zei: ik wil ze thuis op zondag. Na de kerk gingen we weer naar huis, koffie drinken. Niet alle ouders zagen dat zitten. Want dan wilden de andere kinderen ook niet meer naar zondagsschool.”

„Je religieuze achtergrond vormt de basis en kern van wie je bent”, zegt Pete Hoekstra nu. Als congreslid werd hem wel eens gevraagd of zijn religieuze overtuigingen invloed hadden op zijn politieke opvattingen. Hij beantwoordde die vraag steevast met ‘ja’. „En dan zeiden ze: dat zou eigenlijk niet moeten. Mijn reactie is dan: oké, als mijn religieuze opvattingen mijn kernopvattingen zijn, en jij wilt niet dat ik die gebruik als meetlat, wat stel je dan voor dat ik wél gebruik?”

Ophaalbrug in Holland, Michigan. Er wonen nog altijd veel afstammelingen van Nederlanders. De molen op de foto staat sinds 1964 in de stad en is oorspronkelijk afkomstig uit Krommenie. Foto Amsterdam Press Agency

Voelt de Amerikaans ambassadeur zich, gezien zijn achtergrond, wel op zijn plek in het huidige Nederland, een land dat zoveel anders is dan zestig jaar terug, en zo veel liberaler dan Amerika?

„Ik weet niet hoe Nederland zestig jaar geleden was. Natuurlijk hebben m’n ouders verhalen verteld. En West-Michigan is lang niet zo conservatief als sommige mensen je willen laten geloven. We hebben bedrijven die mondiaal worden gezien als innovatief, de beste plekken voor vrouwen om te werken. Ze schetsen een beeld alsof West-Michigan achterloopt en is blijven steken in de jaren vijftig en zestig. Kom eens op bezoek! Je zult misschien versteld staan. En dan nog, ik weet niet of de Nederlanders wel zo liberaal zijn al ze soms willen dat iedereen denkt.”

Hoekstra’s ouders leven inmiddels niet meer. Frits overleed in 1997, Helen in 2005. Beiden hebben een bescheiden grafsteen op de begraafplaats in Holland. Er staat graan op afgebeeld, met daarnaast de tekst: „Wat God doet, is welgedaan.” Pete mist zijn ouders. Hun verlies is nog steeds een gevoelig onderwerp.

„We waren een hecht gezin”, vertelt hij, „de enige familie die je had. Mijn moeder had een zus die naar Noord-Amerika was verhuisd. Die woonde in Vancouver en later in Alberta. Haar leerden we redelijk kennen, maar ze was bot, op z’n Nederlands. Mijn vaders broer woonde in Vancouver, maar die kenden we nauwelijks. Je Nederlandse vrienden worden je nieuwe familie. Maar dat is nooit hetzelfde als een oom of tante.”

Frits en Helen vertelden de onderzoekers van Hope College in 1992 ook dat ze hun familie misten, vooral rond feest- en verjaardagen. „Je mist ze in het begin, en steeds meer als je ouder wordt”, vertelde Helen. „Toen we jong waren, hadden we het altijd druk met de kinderen en de bakkerij. We dachten er niet bij na. Maar nu we ouder worden, realiseer ik me steeds meer wat we onze ouders hebben aangedaan. We hebben hun kleinkinderen van ze afgenomen. Mijn ouders hebben hun kleinkinderen nooit meer gezien. Andrew was tien, de anderen zeven en drie. Ze hebben ze nooit meer gezien.”

Dat raakt Pete, hij heeft zelf inmiddels ook een kleinkind dat hem minder zal zien nu hij in Nederland werkt. „Ik heb mijn grootouders nooit gekend. Ze kwamen wel eens twee weken langs, maar ik was toen nog heel jong. Dat is nu wel anders met mijn kleinzoon.”

    • Traci White
    • Peter Keizer
    • Sjef Weller