Taalregels van NRC zijn na drie Stijlboeken weer werk in uitvoering

Hoe heurt het eigenlijk, met de taal in NRC? Een favoriet onderwerp voor lezers, die zich storen aan taalfouten maar ook, bijvoorbeeld, aan modieus Engels, of Amerikaans, of het verwarrende haspelen met mannelijke en vrouwelijke vormen van beroepsnamen.

Regels voor taalgebruik zijn te vinden in een reeks Stijlboeken van de krant, waarvan het eerste (1988) zo klein is dat het lijkt te zeggen: taalproblemen, wij? Het was een blauw miniboekje (10,5 bij 14,5 cm) van 54 pagina’s, getiteld Stijl en Spelling, alleen bedoeld voor intern gebruik door de redactie.

Wist dat Stijlboek raad op alles?

Nou, dat niet – daarvoor is het veel te compact. Maar het is wel een mooi tijdsbeeld, uit de jaren dat NRC Handelsblad nog vooral in pósitieve zin werd gezien als ‘elitekrant’.

Als Inleiding bevatte het boekje bijvoorbeeld een poëtisch-pedagogisch stukje van chef Kunst K.L. Poll. Hij vroeg zich af wat hij zou willen als hij een woord was: „Ik zou in de eerste plaats iets te betekenen willen hebben.” Verder zou hij „onmisbaar” willen zijn in een zinsverband, graag „goed gekleed” gaan en het liefst willen passen „in een eigen stijl”.

Dat paste bij een voorname, liberale krant, die de individuele vrijheid, ook de journalistieke, in het Redactiestatuut had vastgelegd. Voorschriften, oekazes en dogma’s moesten ook op taalgebied zoveel mogelijk worden gemeden. Het dunne boekje bevatte dan ook weinig meer dan wat grammaticale klassiekers („hen of hun”, „te, ter of ten”, „germanismen en anglicismen”) en een moeilijke-woordenlijst. Daaronder: eau-de-colognefles, guerrillero, kwintessens, promiscuïteit, querulant en syfilis. Zo is alles een tijdsbeeld, zelfs een woordenlijstje.

De krant volgde toen nog braaf het Groene Boekje, het enige dat er was (sinds 1954). Dat was nog steeds zo toen het onderkoelde gidsje zeven jaar later een grote sprong voorwaarts maakte. In 1995 verscheen voor intern gebruik het Handboek NRC Handelsblad, een blauwe kanjer (21 bij 29,5 cm), samengesteld door een ervaren eindredacteur en de chef van de zaterdagkrant. Met maar liefst vier delen: over beroepsethiek, inclusief uitleg over journalistieke genres; een kleine encyclopedie; een taalgedeelte; en tot slot een landen- en woordregister. Achterin: een schema van de rechterlijke macht, en vier pagina’s met militaire insignes – altijd handig.

Nu was ook de hoofdredacteur, Ben Knapen, van de partij met een Inleiding. In liberale geest: het handboek kon het best beschouwd worden als „huisregels” en als „hulpmiddel”, zeker niet als dogma of canon. Het „wantrouwen” van de krant gold volgens de Beginselen (1970) immers „iedere collectiviteit” dus ook talige eenheidsworst. Onder die „huisregels”: overdrijf niet, opinieer niet, wees bondig, wees precies, pas op met beeldspraak, vermijd jargon en vermijd vreemde talen.

Vijf jaar later verscheen voor het eerst een publieksversie van het handboek (2000), gebonden en op boekformaat (13,5 bij 22,5 cm), samengesteld door dezelfde eindredacteur van eerdere edities, Koos Metselaar, en taaljournalist Ewoud Sanders. In deze editie waren alle delen samengevoegd tot één geheel, op alfabet: journalistieke normen en taalregels door elkaar, dus na ‘hooimaand’ volgde ‘hoor en wederhoor’, de ‘anonieme bron’ kwam aan bod na de ‘annuïteit’. Met 5.400 ingangen was het boek ook enorm uitgebreid, inclusief nieuwe woorden als ‘breakdance’ en ‘online’, waarbij NRC bij uitzondering niet het Groene Boekje volgde (dat er twee woorden van wilde maken).

Ook een mooi tijdsbeeld: bij ‘vermelding van huidskleur en ras’ lezen we dat „in de welzijnswereld de neiging [bestaat] iedereen zwart te noemen die niet specifiek blank is. Daar doen wij niet aan mee.” En: „We schrijven overigens niet over witte mensen, maar over blanken.” Dát is anno 2018 veranderd; met nieuwe generaties journalisten op de redactie raakt wit ook in deze kolommen steeds meer ingeburgerd. Oekazes tegen het gebruik van blank zijn er gelukkig niet gekomen. Conform K.L. Polls pleidooi voor eigen stijl: in zijn interview met Gloria Wekker sprak redacteur Maarten Huygen in zijn vragen stoïcijns van blanken, terwijl Wekker onvermurwbaar antwoord gaf over witten.

En nu? Aangepaste regels zijn voor u nog niet te vinden, omdat het taaldeel van het Stijlboek aan revisie onderhevig is. Het journalistiek-ethische deel is herzien als de ‘NRC Code’, online te vinden. De actualisering van de duizenden taallemma’s is een titanenklus, die nu tussen de bedrijven door geklaard wordt door twee eindredacteuren – petje af.

Zij buigen zich ook over kwesties waar lezers mij geregeld over schrijven, zoals dat gebruik van vrouwelijke beroepsnamen. Schrijft u nu ‘schrijver’, ‘schrijfster’ (of allebei, zoals gebeurde in een verslagje van het Boekenbal, waarin Franca Treur (v) „schrijfster” werd genoemd, maar Martine de Jong (v) zonder toelichting „schrijver”). Basisregel, zegt de eindredactie, is dat we de mannelijke, ook wel ‘neutrale’ vorm, gebruiken – tenzij die potsierlijk is, zoals „boer” voor een, nou ja, boerin.

Het argument om ‘vervrouwelijking’ zoveel mogelijk te vermijden, is dat die onnodig het accent kan leggen op de sekse van een persoon; is iemand als ‘redactrice’ van een uitgeverij, bijvoorbeeld echt iets heel anders dan als ‘redacteur’?

Soms kan het nuttig zijn de feminiene vorm wél te hanteren, zoals in de sportwereld (‘zwemster’), waar mannen en vrouwen doorgaans gescheiden competities hebben. Ook in de visuele wereld van film en toneel is ‘actrice’ nog een ingeburgerd begrip, terwijl in de literaire schrijvers en schrijfsters allang uniseks door elkaar lopen.

Het Nederlands bevindt zich ook op dit punt in een Atlantische wending, weg van het Duits (met standaard vrouwelijke vormen) en naar het Engels (uniseks). Maar ook hier: de alledaagse ontwikkeling van een levende taal moet in beginsel leidend zijn, niet krampachtige oekazes van de krant. Kortom, het eindredactionele duo heeft zijn handen voorlopig nog wel vol. Hun werk zal te zijner tijd (correct, editie 1988) online verschijnen – hopelijk met een mooie presentatie. Ook dat is een kwestie van stijl.

De volgende rubriek van de ombudsman verschijnt zaterdag 9 juni.
Reacties: ombudsman@nrc.nl