Wat heb je eraan om trots te zijn?

Trots Filosoof Coen Simon vindt trots een mistig begrip. We willen geen ‘showpikkie’ zijn, maar trots lokt nu eenmaal applaus en likes uit. Waar is trots eigenlijk nuttig voor?

Foto Istock

Van alle jaren dat ik heb gehockeyd zijn er eigenlijk maar twee wedstrijden geweest, waarin alles lukte wat ik deed. De ene keer was op mijn vijftiende, nadat ik had aangekondigd te stoppen, die andere keer was ik verliefd. In beide gevallen had ik me zo zelfverzekerd gevoeld dat ik boven mezelf uitsteeg. Het leerde me dit: het aannemen of het spelen van een bal mag er eenvoudig uitzien, er is altijd een onbeschrijfelijke veelheid aan dingen die kunnen misgaan, waardoor het maar zelden helemaal gesmeerd loopt. Eigenlijk geldt dat voor elke menselijke handeling – het is nog een wonder dat we niet veel vaker met een kleine teen achter een stoelpoot blijven hangen of onze kop stoten tegen een keukenkastje, en dat we überhaupt een strakke pass kunnen geven. Ik besefte dat iedere handeling steunt op een zekere mate van zelfvertrouwen. Niet alleen sport, maar het hele leven lijkt wel een psychologisch spelletje. Je kunt nog zo slim, handig of vakbekwaam zijn, zonder zelfvertrouwen krijg je niet veel voor elkaar.

Dit mag vanzelfsprekend lijken, de vraag is natuurlijk wat dit zelfvertrouwen dan precies met ons doet, waardoor we blijkbaar een betere controle krijgen op de overgang van droom naar daad.

„De vreugde die ontstaat door iemands voorstelling van zijn eigen macht en bekwaamheid, is de opgetogen stemming die we trots noemen”, schreef de filosoof Thomas Hobbes in Leviathan (1651). „Als deze gegrond is op ervaring en op het verrichten van daden, is er geen verschil met zelfvertrouwen. Maar als zij het gevolg is van het gevlei van anderen, of als iemand zich voorstelt dat hij tot grote daden in staat is louter om van deze gedachte te genieten, dan spreekt men van ijdelheid.” En volgens Hobbes dekt ijdelheid – letterlijk leegheid – heel goed de lading. „Want een gegrond zelfvertrouwen zet mensen aan tot daden; een macht die alleen in iemands verbeelding bestaat doet dit echter niet, zodat zij terecht ijdel wordt genoemd.”

Failliet door ‘The Secret’

Als onderscheid is dit helder, maar in het dagelijks leven bevindt ons zelfvertrouwen zich natuurlijk heel vaak ergens tussen de gegronde en de ijdele trots. Niet zelden moedigen we onze kinderen aan door op hun trotse gevoelens in te spelen. We weten dat ze onder water door het gat kunnen zwemmen, ze moeten het alleen nog even doen, zodat ze ook zelf hun ‘macht en bekwaamheid’ ervaren. „Je kunt het, toe maar, je bent een stoere vent.” Kortom met het gevlei van anderen nemen we soms een voorschot op de gegronde trots. Feitelijk steunt deze trots nog niet op ervaring en verrichtte daden, toch is ze ook niet helemaal ijdel.

Lees ook: Bij selfiemakers is zelfhaat nooit ver weg

Ik denk dat we deze opgerekte vorm van trots geregeld inzetten om ook onszelf aan te moedigen. Als we ons voorstellen dat we iets kunnen gaat het ons immers daadwerkelijk gemakkelijker af. Waarmee ik zeker niet bedoel dat je alles kunt als je je het maar goed genoeg voorstelt, een gedachte die eens in de zoveel tijd in de geluksliteratuur opgeld doet en dan bestsellers zoals The Secret voortbrengt. Onder het maakbare motto ‘visualiseer wat je wilt, en je krijgt wat je wilt’ heb ik verschillende mensen om mij heen failliet zien gaan. Toch weten we allemaal dat als we iets leren, we het ons vaak eerst voorstellen. En zo’n voorstelling lukt beter naarmate we onszelf hierin een beetje een glansrol toedichten. In die gevallen gaat dus „de opgetogen stemming die we trots noemen” vooraf aan de werkelijke daad.

Maar het blijft een beetje een glibberige aangelegenheid. Want waar het diffuse gevoel heel goed pedagogisch kan worden ingezet daar wil het in onze prestatiemaatschappij natuurlijk ook uitstekend demagogisch van pas komen. Zo hoorde ik onlangs op Radio 1 een schoolleider zo lovend praten over haar „team met enorm veel passie voor het kind” dat ik onraad rook. Ik moest denken aan de ontmaskerende woorden van de zeventiende-eeuwse schrijver La Rochefoucauld: „Lof is een geraffineerde, heimelijk en nauwverholen vorm van vleierij, die gever en ontvanger elk op hun eigen manier bevrediging schenkt.” En inderdaad gaf de schoolleider even later toe dat de leerkrachten waar ze zo trots op was heel veel „vrijwilligersuren” draaien, en „echt mensen met hoog verantwoordelijkheidsgevoel” zijn. „Een onsje minder, dat lukt ze niet.” Lof als een pressiemiddel werkt des te beter als we geprezen worden om wie we zijn – jij bént zo iemand die met hart voor de zaak in de avonduren werkt. Jij houdt van je werk. Je werk is je hobby, je passie. Je bent je werk.

„Iedereen is tegenwoordig trots. Maar waar zit dat? Ik bedoel, hoe voel je dat? Hoe wéét je dat je trots bent?”

Een mistig begrip als trots laat zich eenvoudig opportuun gebruiken, dus we mogen best een beetje op onze hoede zijn zodra we op onze trots worden aangesproken. Maar ik vrees dat we de trotse mens tekortdoen als we alle menselijke fierheid afdoen als hoogmoed en hooghartigheid, zoals vaak gedaan wordt met een verwijzing naar het narcisme van de selfiecultuur en de sociale media. Zoals onlangs bijvoorbeeld Gerbrand Bakker in zijn column in De Groene Amsterdammer. Onder de titel De leegheid der begrippen ergert hij zich aan het ongebreidelde gebruik van het woord trots. „Iedereen is tegenwoordig trots. Maar waar zit dat? Ik bedoel, hoe voel je dat? Hoe wéét je dat je trots bent?” Volgens Bakker „kun je het niet voelen”, en hij ziet het nietszeggende gebruik ervan als „één van die uitwassen van de sociale media”.

Likes en applaus

Ook ontwikkelingspsychologen Sander Thomaes en Eddie Brummelman waarschuwden onlangs in NRC voor de ijdele trots die wordt aangejaagd door de sociale media. Kinderen blazen volgens hen vaak hun zelfbeeld op omdat succes steeds meer als sociale norm geldt. Met het uiteindelijke averechtse effect van een lage zelfwaardering.

Het ongemak over de ijdele trots past in de romantische traditie van Jean-Jacques Rousseau. Rousseau maakt het onderscheid tussen trots en eigenliefde. Het laatste beschouwt hij als een natuurlijke emotie die op zelfbehoud is gericht, terwijl trots volgens hem een „kunstmatig sentiment” is dat het „individu aanmoedigt om meer belang aan zichzelf te hechten dan aan een ander”. Ook in de biologie en de psychologie wordt het gevoel van trots eigenlijk alleen als adequate emotie beschouwd zolang het op zelfbehoud gericht is.

Mijn ouders noemden mij als kind ‘een showpikkie’. Ik was dat beslist, maar ik kon tegelijkertijd heel teruggetrokken en onzeker zijn.

Uit angst om zelf voor een ijdeltuit te worden uitgemaakt kiezen we de wellevende kant van Bakker en anderen die de sociale media als een bolwerk van ijdelheid zien. We vereenzelvigen trots als een hedendaagse Rousseau met egoïsme en narcisme. Maar zoals gezegd, doen we de trotse mens dan tekort.

Over mijzelf weet in elk geval, niet alleen door de ervaringen op het hockeyveld, dat ik nogal vaar op trots. Mijn ouders noemden mij als kind ‘een showpikkie’. Ik was dat beslist, maar ik kon tegelijkertijd heel teruggetrokken en onzeker zijn. En nog steeds ben ik vrij gevoelig voor schouderklopjes om goed te kunnen presteren. Ik hou van likes en applaus. Moet ik mij hiervoor schamen?

Het ongemak over trots zegt meer over de verandering van onze mores dan over de zogenaamde zinledigheid van het begrip. Ik denk zelfs dat trots een grotere rol is gaan spelen in onze cultuur. Alleen heeft ze zich verinnerlijkt in het individuele handelen zoals de moraal in het algemeen individueler en informeler is geworden. Toen we nog in god geloofden en hiërarchischer dachten in afkomst en klassen, toen was trots ook altijd verbonden met een collectieve maat, waarmee we ons onderworpen aan de belangen van de groep. „Bekwaamheid” verwees niet alleen naar jouw beheersing, maar dat jij het in de vingers had zoals het hoorde. „Daar mag je trots op zijn”, refereerde aan wat als norm geldig was. Juist deze trots botst met het individu van onze geïnformaliseerde wereld. Dit individu ontleent zijn trots namelijk in de eerste plaats aan zijn individuele autonomie. De „eigen macht en bekwaamheid” die volgens Hobbes de opgetogen stemming is „die we trots noemen” schuilt juist in de mogelijkheid zichzelf de wet te stellen, los van de ander.

De selfiecultuur

Deze paradox maakt trots in onze tijd ongemakkelijk. Voor trots hebben we de likes van anderen nodig, maar eigenlijk zijn we alleen zelf goed genoeg ze aan onszelf uit te delen. En dan schiet de romantische eigenliefde van Rousseau tekort voor ons zelfbehoud. We hebben toch echt ook het aangedikte sentiment nodig dat het „individu aanmoedigt om meer belang aan zichzelf te hechten dan aan een ander”. In de ogen van de ander moet het zelfverzekerde zelf ook altijd een beetje een opgeblazen zelf zijn. Want iets heel goed kunnen, in een wereld waarin er geen overkoepelende standaard meer bestaat, betekent iets doen op jouw manier.

Wie zich hiervoor schaamt blijft zich volgens de geseculariseerde denker Friedrich Nietzsche bezighouden met een moraal die niet meer de onze is. Een moraal die zegt dat voor god iedereen gelijk is. „Maar juist deze God stierf”, schrijft Nietzsche. En „voor het gepeupel daarentegen willen we niet gelijk zijn”.

Lees ook: Is jaloezie ook ergens goed voor?

Iets in mij zegt me dat er een andere trots schuilgaat achter al die grootmoedigheid van diegenen die zonder trots denken te kunnen leven. „Grootmoedigheid”, schreef La Rochefoucauld, de inspirator van Nietzsche, over deze deugdzaamheid, „staat alles af om alles in bezit te krijgen.”

Het dedain dat er vaak is voor de zogenaamde narcistische trots in onze selfiecultuur, is wat Nietzsche „kleine schaamte” noemt, een schaamte die wordt ingegeven door het geweten van de massa. Nietzsche pleit daarom voor een trotse schaamte. We moeten de deugdzaamheid van de massa uit de weg blijven, maar niet onze eigen trots. Die hebben we nodig om de eer aan onszelf te houden, in een wereld zonder god.

Lekker gevoel bij natuurramp

Trots, ook ijdele trots, is niet iets om je voor te schamen. Volgens de Duitse filosoof Immanuel Kant ligt daar zelfs de sleutel tot onze menselijkheid. In zijn Kritik der Urteilskraft (1790) geeft hij een uitvoerige analyse van het superieure gevoel dat je kan overvallen bij het zien van „het geweld van de natuur”. Hoewel immense natuurkrachten zoals een „onbegrensde, tot kolken gebrachte oceaan”, of „de hoge waterval van een machtige rivier” ons het gevoel geven „onbeduidend klein” te zijn, is de mens zo ingenieus deze onmacht om te vormen tot eigen macht. Iedereen kent het euforische gevoel, de kick van grote hoogtes en diepe dieptes. „Daarop is een zelfbehoud gebaseerd van een geheel andere aard dan het zelfbehoud [dat waarschuwt] dat de natuur buiten ons kan belagen en bedreigen”, schrijft Kant.

De onbegrensde machtige natuur van de achttiende eeuw zijn we met onze technologie inmiddels wel de baas, maar de oneindige zinledigheid van het leven in een wereld zonder god vraagt nog even hard om euforisch zelfbehoud.

Gout mien jong, ik ben trots op je”, zei laatst onze Groningse buurvrouw tegen mijn zoon toen die, terug van tennis, vertelde dat hij alles gewonnen had. Ik vroeg of hij het niet gek vond zo’n compliment. Waarom zou zij trots zijn op iets wat hij had gedaan? „Dat is toch logisch pap”, antwoordde hij onmiddellijk. „Zij wil ook graag wat van mijn overwinning.”

Die komt er wel, dacht ik trots.

    • Coen Simon