Peter de Krom

Waarom de lusthof aan de A2 ‘ontchineesd’ wordt

Van der Valk-hotel Breukelen

De hotelgast van nu wil licht, en hout, en groen. Geen oosterse overdaad met draakjes en hoekpaneeltjes. Dus wordt het welbekende Van der Valk-hotel bij Breukelen, aan de A2, ‘ontchineesd’.

Trots prijkt de arend, koning van de vogels, met zijn klauwen op een rots. Scherpe blik, verheven boven het aardse bestaan, krachtig en onafhankelijk. Hij slaat zijn vleugels uit, klaar om de hemel te bestormen.

Het houten beeld, spanwijdte zes meter, stond ooit in de lobby van Hotel Breukelen, beter bekend als ‘dat Chinese ding’ aan de A2 tussen Utrecht en Amsterdam. De arend toonde de ambities van degene die het gebouw er ooit liet neerzetten. Dave Wong, een Nederlands-Chinese ondernemer die in 1988 de hemel wilde bestormen met een eigen vijfsterrenhotel. Een oosterse lusthof gebaseerd op het keizerlijk paleis in Pekings Verboden Stad, met 143 kamers en vier toprestaurants en winkels en een zwembad en een Chinese tuin met rotspartijen, theehuisjes en een drakenmuur en een sauna en een manege en een golfbaan en een feestzaal voor duizend man. De inrichting ontworpen door Jan des Bouvries, bordeaux-rode meubelen, en voor de deur een bijpassende Daimler-limousine.

De opening van dit paradijs, toen Oriental Palace geheten, was op 4 maart 1988, een tweede vestiging in de Seine in Parijs stond gepland.

Maar Dave Wong bleek te kwistig en drie maanden later was het hotel alweer failliet – de vestiging in Parijs kwam er nooit. De familie Van der Valk nam het over. De trotse arend overvleugeld door een toekan.

Het Oriental Palace Hotel kort voor de oplevering in 1988.ANP

Niet meer van deze tijd

„Hier stond ’ie.” Nick Timmers, dertig jaar, spreidt zijn armen in de lobby. Zijn moeder heet Van der Valk en samen met zijn broertje en zijn vader, de hotelmanager, kwam Nick als éénjarige te wonen in hun eigen hotel – een familietrekje. Suite 100, nu vergaderzaal. Hij speelde in de opslaghokken tussen de nepkerstbomen en ja, ook op „dat grote ding”, die arend. „Zat ik met m’n broertje op de vleugels.”

Nick Timmers geeft een rondleiding. Want dertig jaar na de opening van het keizerlijk paleis zal Hotel Breukelen van zijn laatste Chinese kenmerken worden ontdaan. Timmers leidt de verbouwing. „Ontchinezen”, noemt hij het. „Draken eraf, hoekpaneeltjes.” De hotelgast van nu wenst licht en hout en strakke lijnen, een Verboden Stad is niet meer van deze tijd. Bovendien brokkelde al dat oosters handwerk langzaam af en is de buitenzijde al jaren een „mismatch” met de gemoderniseerde binnenzijde. Alleen het pagodedak met zijn glimmende oranje pan zal blijven.

Peter de Krom

De verbouwing, te voltooien in september 2019, is het sluitstuk. De Chinese tuin werd jaren geleden al ingeruild voor een modern complex met extra kamers en een wellness center. En ook de pilaren omkruld met porseleinen draken bij de entree hielden door alle rolkoffertjes die ertegenaan botsten geen stand. Binnen is niets oosters meer te bekennen. De houten arend in de lobby moest het veld ruimen en de Kantonese, Japanse en Sichuanese keukens verdwenen ten faveure van schnitzel en tournedos.

Die arend kostte een vermogen

Een goed hotel gaat mee met zijn tijd. En let op de kleintjes. Vraag maar aan Marcel Otte, gezeten in zijn luie stoel naast de intercom in zijn seniorenflat met ruim uitzicht over Assen. De 79-jarige Otte heeft zijn leven besteed aan het winstgevend maken van vijfsterrenhotels overal in de wereld. Hij deed klussen in vele Hiltons en in hotels van Dubai tot Moskou en werd in 1988 door Dave Wong, destijds eigenaar van restaurants rond de Amsterdamse Wallen, gevraagd als hotelmanager van het nieuwe Oriental Palace in Breukelen.

Die houten arend ja, Otte schudt zijn hoofd. „Dat ding kostte een vermogen! Wong had ’m speciaal laten maken in China. Maar hij paste niet in de container dus moest er een aparte worden gemaakt om ’m te verschepen. Zo vloog het geld weg.”

Zomaar een hotel beginnen is nóóit een goed idee, zegt Otte. Daarvoor telt het vak te veel verschillende disciplines. Je moet tegelijkertijd het eten regelen voor je gasten, het drinken, de kamers, de feesten, de congressen. Je hebt te maken met personeel, met bezetting, met linnengoed, met schoonmaak. En bedenk, je bent áltijd open. Je bent aan het organiseren terwijl je moet blíjven lachen naar je gasten. Want een hotel draait om sfeer. „Je verkoopt een illusie.”

Zo’n organisatie kan alleen worden geleid met strakke hand, is Ottes overtuiging. Dus als hij weer eens door een rijke Rus wordt gevraagd om een slechtlopend hotel winstgevend te maken, doet Otte geen concessies. „Alles moet anders”, zei hij eens na een eerste diagnose. „Ja maar…” klonk het. „‘Ja maar’ zeggen we niet tegen mij”, vervolgde Otte. „Daar is de deur. Je doet het of ik ben nú weg.”

Je verkoopt een illusie

Lanterfantend personeel, gastheren die de klant afsnauwen? „Dan staan ze buiten. Daar ben ik héél makkelijk in.”

En soms is het hotel gewoon verkeerd gebouwd. Heeft iemand met oliegeld een prestigeproject willen neerzetten, maar zijn de afdelingen zo ontworpen dat je nóóit een kopje koffie warm tot iemands kamer kunt brengen. „Haal je technische dienst maar”, zegt Otte dan. „Breken we wat muren door.”

Zin om het machinebedrijf van zijn vader over te nemen had hij niet. De jonge Otte wilde de wereld zien, en hoe kan dat nou beter dan vanuit vijfsterrenhotels? Hij stapte eens zo’n hotel binnen en rolde in het vak.

Zijn geheim: bezuinigen op de kleine dingen.

Denk eens aan de schoonmaak van al die kamers, elke dag opnieuw. „Die meiden gieten dat spul zo uit de fles in hun emmer, in plaats van met dopjes.” In het Hilton liep Otte eens naar de kast en lengde het schoonmaakmiddel aan met een kwart water. „Niemand had het door.”

Overal waar hij komt kijkt Otte in de computer naar de uitgaven. Op eten maak je geen winst, dus die kosten moet je laag houden, op 33 procent. De functies van personeel, met 40 procent de grootste post, kun je soms combineren. En kamers verkoop je méér dan je hebt, er zijn altijd gasten die niet komen opdagen. Zijn stelregel: je kunt veel makkelijker honderd keer één euro verdienen, dan één keer honderd.

Peter de Krom

‘Heb je nog wat miljoenen over?’

De 34-jarige ondernemer Dave Wong zag dat in 1988 iets anders. Hij liet het Oriental Palace bouwen voor 25 miljoen gulden, deels geld van investeerders uit Hongkong, en nodigde voor het openingsfeest duizenden gasten uit. Vlak ervoor trok hij Marcel Otte aan. „Ik vond het wel een uitdaging. En hij had een stel goeie koks aangenomen. Kon ik óók lekker eten.”

Het hotel liep gelijk goed, zegt Otte, vooral de restaurants. Die waren best prijzig, maar iedereen wilde het nieuwe paleis aan de snelweg met eigen ogen zien. Otte had de dagelijkse leiding, terwijl Wong boven in zijn kantoortje zat. „Alleen die rekeningen hè, die kreeg ik maar niet.”

Otte kreeg steeds vaker telefoontjes van leveranciers die zaten te wachten op hun geld. Er was nog niet betaald voor de pannen, de stoelen, de golfkarretjes. En toen hij er op een dag schoon genoeg van had en in het kantoor van Wong een kast opentrok, viel er zo een dik pak rekeningen uit. „Hij had ze allemaal achtergehouden.” Otte liep ermee onder zijn arm naar de boekhouder.

„Dave”, zei hij ten slotte. „Heb je nog wat miljoenen over?”

Wong schudde zijn hoofd.

„Dan ben je failliet.”

„Oosters sprookje in Breukelen is uit”, kopte de lokale krant. Terwijl Wong „verdwaasd” rondliep reden vrachtwagens af en aan. „Ze kwamen leeg en vertrokken vol met levensmiddelen en een deel van de inventaris”, tekende een journalist van het Leidsch Dagblad op. „In de keukens werden voedselvoorraden letterlijk onder de handen van de kokende koks weggesleept.”

„Tja, jammer voor ’m”, zegt Otte nu. „Had hij maar moeten uitkijken.” Hij handelde de lopende zaken af en vertrok. Van Wong heeft ’ie nooit meer iets gezien.

In de keukens werden voedselvoorraden letterlijk onder de handen van de kokende koks weggesleept

De familie Van der Valk trok op een openbare veiling aan het langste eind. Nick Timmers wijst op een grote foto in de brasserie van het huidige Hotel Breukelen. Oom Gerrit en oom Martin staan te juichen als de hamer valt. „Het was alsof we het Amstelhotel hadden gekocht. Zo’n grote aankoop had de familie nooit eerder gedaan.”

Zoals gebruikelijk bij de Van der Valks kreeg één familielid zeggenschap over de nieuwe aanwinst: dat waren de ouders van Nick. Vier jaar heeft hij er gewoond. Een gezellige tijd, „iedereen in de familie kwam langs om te kijken”.

In de krant kondigde woordvoerder Gerrit van der Valk direct een ingrijpende verbouwing aan. En daarbij stond volgens hem één ding vast: „Het dak moet eraf”.

Maar het dak blééf. En het dak werd een icoon, door velen gefotografeerd vanuit de trein en op de vluchtstrook van de A2. De aankoop van dat Chinese paleis in de polder bleek een gouden zet. Die polder werd het middelpunt van een uitdijende economie. Amsterdam, Utrecht, Schiphol, de RAI, de Jaarbeurs en later de Arena en de Ziggo Dome; vanuit Breukelen was álles bereikbaar en dichtbij. Het hotel breidde uit en de winkeltjes, ooit door Wong bedoeld als kapsalon en juwelier, werden vergaderzalen.

Peter de Krom

De trend nu is groen

Nick Timmers begon zijn carrière in de keuken. „IJsjes maken, en peterselie plukken op een kratje.” Daarna kwam hij te werken achter de bar, en als ober, en als restaurantmanager, en vanaf 1 januari als de nieuwe hotelmanager. Tijdens zijn studie bedrijfskunde in Rotterdam heeft hij ook wel gedacht aan een andere carrière. Maar elk bedrijf waar hij binnenkeek, „en dat waren er een heleboel”, vond hij saaier dan het hotel. In een hotel gebeurt van alles. „Gister nog, een violist die ineens begon te spelen terwijl iemand zijn vrouw ten huwelijk vroeg.”

„De hele inrichting verandert”, zegt Timmers terwijl hij op bruinleren schoenen het gebouw rond loopt. De bordeaux-rode meubelen waren jaren terug al vervangen. Maar ook de donkere van nu zijn alweer gedateerd – een hotelinterieur gaat zeven tot twaalf jaar mee. „De trend nu is groen, en rijkere stoffen.” Straks, na de verbouwing, is het aantal vergaderzalen uitgebreid van 14 tot 22 en het aantal kamers tot 233 en heeft het restaurant er vierhonderd stoelen bij.

Peter de Krom

Ter inspiratie kijkt Nick geregeld bij familieleden. Van der Valk telt zo’n honderd vestigingen verdeeld over honderd familieleden. En elke vestiging is anders, omdat iedereen zijn eigen zaak runt. Bij een neef met een goedlopend restaurant gaat iedereen wel even langs. „In Apeldoorn hebben ze nu een toiletdeur die vanzelf opent. Handig, denk ik dan.”

Bijna zijn alle Chinese draakjes en paneeltjes nu van het gebouw af. Timmers geeft ze weg aan personeel en familieleden. Heel wat Chinees spul staat nu bij neven in de tuin. Teruggeven aan Wong zal niet gaan; niemand weet waar hij is.

En de houten arend, waar is die gebleven? Nick Timmers pakt zijn telefoon en belt. „Vader… ja, die arend…?”

Na het ophangen: „Hij was gekocht door een Chinees restaurant in Den Haag. Maar die kreeg ’m niet verplaatst. Pas toen de pui eruit ging, kon ’ie weg. Hij staat nu in de Van der Valk Schiphol.”