Onderwijs

Verengelsing is niet gelijk aan internationalisering

Onderwijsblog Het hoger onderwijs wil verder internationaliseren. Jammer van de andere talen dan Engels, vindt Lotte Jensen.

ANP Robin van Lonkhuijsen

Onlangs werd de Internationaliseringsagenda van de VSNU (Vereniging van Samenwerkende Universiteiten) en de VH (Vereniging van Hogescholen) gelanceerd. De media legden het accent op één advies daaruit: geef de universiteiten instrumenten in handen om de groeiende instroom aan buitenlandse studenten te beheersen. Het rapport leek daardoor vooral een kritische reactie de onbeheersbare gevolgen van de internationalisering te behelzen.

Wie het rapport leest, moet echter constateren dat de centrale boodschap precies tegenovergesteld is: er wordt juist gepleit voor meer internationalisering. Er worden weliswaar ‘instrumenten’ gevraagd om de instroom te kunnen beheersen, maar dit gebeurt vooral met het oog op het behoud van een gebalanceerde international classroom. Het bevorderen daarvan zou trouwens ook goed zijn voor Nederlandse studenten die niet naar het buitenland gaan. Zo kan de “internationalisering at home” bevorderd worden, aldus het rapport dat in feite één langgerekt pleidooi voor meer internationalisering is.

Internationalisering is volgens de samenstellers namelijk goed voor de kwaliteit van het onderwijs, de interculturele vaardigheden van de student, de Nederlandse arbeidsmarkt en de economie. De VSNU streeft ernaar om Nederland tot de top-5 van de kenniseconomieën te laten behoren.

Op twee punten schiet het rapport ernstig tekort. Ten eerste is de visie op taalbeleid en taalvaardigheid te beperkt. Het rapport benadrukt het belang van zowel Engelse als Nederlandse taalvaardigheid, maar besteedt vooral aandacht aan de voordelen van het Engels als voertaal op Nederlandse universiteiten. In de weergave van de vermeende voordelen is het rapport uitermate eenzijdig. Internationale, en dus Engelstalige opleidingen, zouden studenten beter voorbereiden op de arbeidsmarkt, maar het rapport vermeldt niet dat een groot percentage van de afgestudeerden op de Nederlandstalige arbeidsmarkt terechtkomt.

Het rapport stelt bovendien, zonder enige bewijsvoering, dat het overgaan op het Engels als voertaal de kwaliteit van het onderwijs ten goede komt. Recente publicaties die daar vraagtekens bij plaatsen, bijvoorbeeld die van de hoogleraar taalkunde Annette de Groot (Universiteit van Amsterdam), worden genegeerd. En over de bescherming van het Nederlands als onderwijstaal wordt wel heel gemakkelijk heengestapt. De VSNU benadrukt weliswaar dat er landelijk voldoende Nederlandstalige bacheloropleidingen behouden zouden moeten blijven, maar de vraag is natuurlijk wat ‘voldoende’ betekent. En waarom worden hier de masteropleidingen niet ook genoemd? Is het niet ook van belang dat andere talen dan het Engels een plaats hebben in het masteronderwijs?

Niet alleen Engels

Internationalisering en het overgaan op het Engels als voertaal in het hoger onderwijs worden zo ten onrechte aan elkaar gelijkgesteld. Internationalisering is echter zoveel meer dan dat. Kennis van andere talen en culturen, zoals het Chinees, Spaans, Frans, Russisch, Duits en Arabisch zijn minstens zo belangrijk.

Kennelijk is het uitgebalanceerde KNAW-rapport Talen voor Nederland (gepresenteerd op 5 februari 2018) waarin meertaligheid in de internationale context van het bedrijfsleven, de politiek, de wetenschap en andere sectoren wordt besproken, geheel aan de aandacht van de samenstellers van de internationaliseringsagenda ontsnapt. Talen voor Nederland laat zien dat het Nederlands nog altijd de kern van de infrastructuur voor communicatie tussen alle inwoners van Nederland is. Tegelijkertijd is meertaligheid van groot belang voor de internationaal gerichte samenleving die Nederland ook is: de keuze voor het Engels in een academische context hoeft niet de enige of eerste te zijn.

Een tweede bezwaar is het zware accent op de economische argumentatie in deze internationaliseringsagenda. De VSNU streeft expliciet naar een verdere integratie van de wetenschap en het bedrijfsleven. Kennisinstellingen zouden bijvoorbeeld standaard deel moeten gaan uit maken van economische missies en buitenlandse missies zouden door overheid, kennisinstellingen en overheid gezamenlijk voorbereid moeten worden.

Nu zijn er allerlei bezwaren in te brengen tegen het opvoeren van de wetenschap als de dienstmaagd van de economie. In het licht van deze nadruk op het economische belang van internationalisering is het echter nog vreemder dat het rapport geen enkele aandacht aan de potentiële meerwaarde van meertaligheid besteedt. Meertaligheid is ook een belangrijk economisch goed: de handel, diplomatie en internationale organisaties zijn gebaat bij bredere talenkennis. Volgens het Manifest buurtalen loopt Nederland jaarlijks voor miljarden euro’s mis aan contracten vanwege gebrekkige kennis van het Frans en het Duits. Ook het KNAW-rapport Talen voor Nederland wijst op de meerwaarde voor de Nederlandse economie van betere taalkennis. Daarnaast zijn er nog tal van andere terreinen, waarbij diepgaande kennis van andere culturen en talen essentieel, bijvoorbeeld op het terrein van internationale veiligheid en cybercriminaliteit.

Wie voor meer internationalisering pleit, zou ook een pleidooi voor meertaligheid moeten houden. De eenzijdige nadruk op het belang van het Engels als voertaal in het hoger onderwijs leidt tot een verschraald idee van internationalisering.

Lotte Jensen is hoogleraar Nederlandse literatuur- en cultuurgeschiedenis aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

Blogger

Maarten Huygen

Maarten Huygen is redacteur onderwijs. Hiervoor was hij onder andere chef opinie, commentator en verslaggever voor NRC. Hij woonde 11 jaar in Washington, in de vroege jaren tachtig voor omroepen en bladen, in de vroege jaren negentig voor NRC.