opinie

    • Harald Merckelbach

Prognosticeren, hoe doe je dat?

Harald Merckelbach hoort al jaren voorspellingen over de wereld van morgen. Hoe deskundig moet een deskundige zijn om de toekomst te voorspellen?

Vertellen over hoe de wereld van morgen eruit ziet is wat talkshowgasten en opiniemakers graag doen. Hoe goed kunnen ze dat? Een beetje routinier houdt prognoses vaag om al te opzichtige fouten bij voorbaat te ontwijken. Maar toch. De Europese Unie viel al heel vaak uit elkaar, het afscheid van de euro was regelmatig aanstaande, Noord-Korea ging echt een raket afvuren op de VS en de afzettingsprocedure tegen de Amerikaanse president werd binnenkort in gang gezet.

Het doet de vraag opkomen wat een deskundige is. Sommige wetenschappers menen dat je deskundigen niet te zwaar moet afrekenen op hun foute voorspellingen. Oefening is pas belangrijk. Deskundig word je, zeggen ze, als je 10.000 uren braaf traint. Wie bereid is om zo lang op aandelenkoersen te studeren of aan blinde darmen te opereren, wordt vanzelf beursgoeroe of topchirurg. Klinkt aannemelijk, maar er valt toch het nodige op af te dingen.

Zo zijn sommige vormen van deskundigheid met geringe inspanning te bereiken, terwijl andere meer dan 10.000 uren vereisen. Een auteur rekende voor dat je na een paar honderd uren roddelrubrieken bestuderen alleraardigst kunt meedraaien in een panel van showbizz-experts. Maar om neurochirurg te worden, is een dikke 40.000 uur studie en training nodig.

Een andere kanttekening bij de 10.000-uren-regel: of oefening kunst baart, hangt af van hoe er wordt geoefend. De meest imposante vormen van deskundigheid – het type dat je aantreft bij chirurgen, piloten, musici en topsporters – worden verworven onder het toeziend oog van een oude rot die zijn pupil meedogenloos becommentarieert. Ongezouten kritiek helpt om steeds beter te worden. Maar sommige deskundigen moeten het zonder zulke feedback stellen. Hoe kan bijvoorbeeld de recruiter weten of de door hem geselecteerde kandidaat de meest geschikte is als informatie over het carrièreverloop van afgewezen kandidaten ontbreekt?

Minstens zo problematisch is selectieve feedback. Dat kweekt nepdeskundigheid. Zoals de New Yorkse arts die rond de vorige eeuwwisseling gold als groot tyfus-expert. Zijn diagnoses hadden de reputatie waterdicht te zijn. In zekere zin waren ze dat ook. Met zijn besmette vingers placht hij de tongen van zijn patiënten te palpiteren, waardoor die de gevreesde ziekte kregen, wat de dokter en zijn omgeving opvatten als teken van eminente deskundigheid.

Nog een probleem met de 10.000-uren-regel: hoe stel je vast of al die jaren van standvastige toewijding uiteindelijk expertise hebben opgeleverd? Voor chirurgen, piloten, musici en topsporters is dat duidelijk. Want er worden patiënten beter gemaakt, vliegtuigen aan de grond gezet, pianoconcerten vloeiend gespeeld en wedstrijden gewonnen. Maar hoe zit dat met die recruiter, opiniemaker of kunsttaxateur? De Amerikaanse psychologen David Weiss en James Shanteau betogen dat je bij zulke experts de proef op de som moet nemen. Over hoe je dat doet, hebben ze uitvoerig geschreven. Het komt erop neer dat je test of de deskundigen – of zij die denken dat te zijn – voldoende onderscheidend en consequent oordelen.

Stel je laat de kunsttaxateur allerlei schilderijen zien. Sommige zijn van dezelfde schilder, andere doeken zijn van een tweede, derde of vierde kunstenaar. De opdracht is enkel om een onderscheid te maken tussen de diverse kunstenaars (namen noemen hoeft niet). En stel dat je deze exercitie na enige tijd weer herhaalt, met dezelfde taxateur en met dezelfde schilderijen. Als de taxateur de doeken van verschillende kunstenaars te veel op een hoop gooit en daarbij weinig consequent te werk gaat, dan weet je dat het een prutser is.

Met de test van Weiss en Shanteau kun je mensen die ten onrechte aanspraak maken op deskundigheid door de mand laten vallen. Maar om echte deskundigheid vast te stellen, heb je een onafhankelijke maat van succes nodig. Wat presteert de deskundige? Dan zijn we toch weer bij nauwkeurig kunnen voorspellen.

Philip Tetlock, hoogleraar aan de universiteit van Pennsylvania, deed daar prachtig onderzoek naar. Hij organiseerde een toernooi waarin opiniemakers, wetenschappers en journalisten het tegen elkaar opnamen. Inzet: wie doet de meeste trefzekere voorspellingen? De deelnemers bakten er over het algemeen weinig van. Meestal zaten ze er met hun prognoses over de dollarkoers, de volgende raketlancering van Noord-Korea en allerlei andere belangrijke kwesties naast.

Lees hier hoe je zelf een supervoorspeller wordt

Hoe bekender de opiniemakers, hoe gebrekkiger hun prognoses. Een kleine groep was over de gehele linie wél behoorlijk nauwkeurig. Deze supervoorspellers bleken een andere aanpak te hebben dan de koffiedikkijkers. Supervoorspellers raadpleegden meerdere bronnen, lieten zich niet meeslepen door de waan van de dag en vooral: ze waren bescheiden en wilden leren van al die keren dat ze er met hun voorspellingen naast zaten.

Talkshows willen deskundigen die er met veel aplomb op los kunnen orakelen. Vanwege hun bescheiden en weifelende houding zijn supervoorspellers daarvoor weinig geschikt. Hopelijk draaien ze wel aan de knoppen van onze overheidsdiensten.

Harald Merckelbach is hoogleraar rechtspsychologie aan de Universiteit Maastricht.
    • Harald Merckelbach