Olie zit weer in de achtbaan omhoog

Olieprijs De olieprijs is hard omhoog geschoten. En ondanks de opmars van duurzame energie, werkt dat door in vrijwel de hele economie.

Olieveld in Venezuala, dat sterk afhankelijk is van inkomsten uit olie. Foto AFP

Dat wordt tandenknarsen bij de pomp. Dure olie, en dus dure benzine, is terug van weggeweest. Deze week tikte de prijs van een vat Brent olie de 80 dollar aan. Dat was in 3,5 jaar niet gebeurd. Stabiliseert de prijs, valt hij terug, of gaan we naar olie van boven de 100 dollar per vat? Het antwoord op die vraag is van groot belang. Hoewel alternatieve energie aan een opmars bezig is, blijven olie en gas de voornaamste grondstoffen van de wereldeconomie. Prijsschommelingen hebben invloed op de economische activiteit, de kosten van vervoer. Olie maakt, via haar invloed op vrijwel alle brandstofprijzen, mede uit hoeveel vrij besteedbaar inkomen consumenten hebben. De prijs van olie bepaalt de bestedingsruimte van producerende landen, van Saoedi-Arabië tot het Rusland van Vladimir Poetin. Olie beïnvloedt de inflatie en – als die inflatie beklijft – het rentebeleid van centrale banken. De olieprijs bepaalt indirect of alternatieve energie rendabel is, of niet.

Olie is, kortom, overal. En daarom is de achtbaan waarin de olieprijs de afgelopen vier jaar verzeild raakte zo veelbetekenend. In de zomer van 2014, bij een olieprijs van 115 dollar per vat, liet Saoedi-Arabië doorschemeren niet langer te willen fungeren als de informele politieman van de oliemarkt. De Saoediërs, destijds de grootste producent ter wereld, hadden traditioneel de rol van swing producer: met formele of informele wijzigingen van hun productie kon de prijs van olie meestal goed worden gestabiliseerd. Binnen OPEC, de organisatie van olie-exporterende landen, hadden de Saoediërs traditioneel de leidende rol. Maar de opkomst van schalie-productie maakte van de Verenigde Staten een geduchte concurrent.

De Saoediërs zouden zich niet langer gaan richten op de stabiliteit van de prijs, maar op hun marktaandeel. Een prijsval van olie zou het de jonge Amerikaanse schalie-sector moeilijk maken. En die prijsval kwam er.

Keerpunt

De oliemarkt kent een precaire balans. Op dit moment is volgens het Internationaal Energie Agentschap de productie van olie gemiddeld 98 miljoen vaten per dag, de consumptie is 99,2 miljoen vaten. Een kleine wijziging in productie of consumptie kan een behoorlijk prijseffect hebben. Vanaf de zomer van 2014 kelderde de olieprijs van 115 dollar tot rond de 30 dollar in de eerste maanden van 2016, mede geholpen door de nucleaire deal tussen het Westen en Iran, waardoor er weer meer Iraanse olie op de wereldmarkt kwam.

Lang schommelde de olieprijs daarna rond de 50 dollar, maar sinds vorig jaar is er een keerpunt. In november kwamen de OPEC-landen overeen om de productie te beperken met 1,8 miljoen vaten, tot een totaal van 31 miljoen vaten (ruim 40 procent van de wereldproductie). En ook de niet-OPEC-landen Rusland, Libië en Nigeria beloofden zich in te houden. De economie groeit intussen fors en doet dat, voor het eerst in jaren, weer zowel in het Westen als in de opkomende landen.

Van een verenigd front van landen die olie produceren en de prijs naar hun hand zetten is al lang geen sprake meer

Geschenk

En dan is er ook nog het recente afbreken van de Iran-deal door president Trump. Het olierijke Iran is in omvang de vijfde producent van de wereld met, nu nog, een productie van 2,5 miljoen vaten. Alleen al een Amerikaanse boycot zou een reductie van een half miljoen vaten kunnen betekenen. Gaan meer landen mee met de boycot, dan wordt het effect natuurlijk groter. Op een snelle opleving van de olieproductie in Venezuela hoeft niemand te rekenen. Het land was twee jaar geleden nog goed voor een productie van ruim 2 miljoen vaten per dag. In het huidige instabiele land van president Maduro durft niemand nog een slag te slaan naar de productie van dit moment.

Een stijgende vraag bij een stagnerend aanbod doet wonderen voor de prijs van olie. Voor olieproducenten in het Midden-Oosten is de stijgende olieprijs een geschenk. Met name Saoedi-Arabië leed onder de goedkope olie. Het land had volgens het IMF in 2014 een prijs van 106 dollar per vat nodig om zijn begroting niet in de rode cijfers te laten belanden. Bij de kelderende prijs trad dat begrotingstekort dan ook op. Vorig jaar bedroeg het liefst 7,3 procent van het bbp. Maar bezuinigingsmaatregelen hebben hun werk sindsdien enigszins gedaan. Vorig jaar bereikte het land ‘een break-even-prijs’ van 83 dollar. En hoewel die volgens het IMF licht stijgt naar rond de 85 dollar in 2018, ziet het ernaar uit dat de Saoediërs uit de financiële problemen raken. Wat voor hen geldt, gaat ook op voor andere landen uit het Midden-Oosten, en voor Rusland.

Door de lage olieprijs kwam de Saoedische economie in een recessie terecht. Lees ook: Saoediërs moeten nu vroeger opstaan en flink aan de slag

De aanpassing aan de goedkope olie is zeker niet alleen op staatsniveau gedaan, maar ook bij de grote oliemaatschappijen als Exxon, Shell, Conoco of Chevron. De break-evenprijs voor de grote oliemaatschappijen, waarbij zij nog rendabel zijn, bedroeg volgens de oliesite oilprice.com in 2014 nog meer dan 80 dollar. In 2016 was dat al gedaald tot onder de 40 dollar. Ook de Amerikaanse schalie-producenten hebben zich aangepast. Volgens onderzoek van de centrale bank-vestiging in oliestaat Texas, de ‘Dallas-Fed’, komen zij nu bij een olieprijs van 32 dollar uit de kosten bij bestaande schaliebronnen. Nieuwe schaliebronnen zijn rendabel bij 54 dollar.

Stijgt de olieprijs nu verder? Juist de laatste week is er een einde gekomen aan wat een onstuitbare opmars leek. Een hoge prijs kan een prikkel worden om meer te gaan produceren, en van een verenigd front van olieproducenten is al lang geen sprake meer. Nog een kleine maand en dan komen de OPEC-landen in Wenen bij elkaar. Nu al wordt er druk gespeculeerd dat de olieproducerende landen op 22 juni de kraan weer wat verder zullen opendraaien. In de Verenigde Staten wordt voor dit jaar een productie van maar liefst 10 miljoen vaten per dag verwacht. De schalie-revolutie heeft van de VS inmiddels een grotere olie-producent gemaakt dan Saoedi-Arabië. En één die sinds een paar jaar in wezen zelfvoorzienend is.

Dempende invloed

Analist Hans van Cleef van ABN Amro denkt dat de grote Amerikaanse productie een dempende invloed kan hebben op de prijs als zich tekorten voordoen. „Maar de schalie-olie uit Amerika is wel van een lichte kwaliteit. Daarmee is het geen substituut voor alle soorten.”

Van Cleef, die constateert dat veel van zijn internationale collega-analisten uitgaan van lagere olieprijzen, verwacht dat de olieprijs dit jaar niet verder zal stijgen. De oliespecialist gaat voor het eind van het jaar uit van zo’n 75 dollar. „De markt is erg vooruitgelopen op de ontwikkelingen in bijvoorbeeld Iran en Venezuela. Ik verwacht, als er geen grote wendingen in het Midden-Oosten plaatsvinden, in de tweede helft van het jaar veel winstnemingen.”

Voor de economie zou dat niet slecht uitkomen. Het is een vertrouwd patroon dat de olieprijs flink stijgt als de wereldeconomie aan het eind is gekomen van een periode van hoogtij. In 1991 was er, vlak voor de recessie van destijds, een prijspiek. In 2000 eveneens. En in 2008 werd, vlak vóór de financiële crisis, voor een vat meer dan 140 dollar betaald. Op een herhaling zit niemand te wachten.

Lees ook: Stijging olieprijs geeft hoop aan Nederlandse offshorebedrijven
    • Maarten Schinkel
    • Erik van der Walle