Recensie

Met tempo twintig door het trage niemandsland

zou zelf wel een Mercedes X-klasse willen. Lekker ‘zwerfrijden’ onder tevreden dieselgeknor.

Mercedes x-klasse 250D bij Gomes in Alkmaar. Foto Merlijn Doomernik

Alle auto’s zijn te jachtig voor het helende contact tussen mens en wereld. Sneller dan een wandel- of fietstempo is ten diepste te snel voor de geest. Op mijn achttiende fietste ik door Nederland en België. Voor het eerst zag ik de wereld van dichtbij, ik leerde groot te kijken naar het kleine. Het was mijn eerste en mijn laatste echte wereldreis. In New York, LA, Tokio, Rabat en Dubai zag ik alleen maar dat de ansichtkaarten klopten. Ik stapte auto in en auto uit, ik kwam en ging. We hebben langzamer vervoer nodig.

Ik heb een Mercedes X-klasse, een pickup met een dubbele cabine en een open laadbak. De motorkap reikt tot mijn middenrif en hij weegt 2.300 kilo, huge. Het is geen echte Benz maar een verbouwde Nissan Navara; ‘rebadgen’ was goedkoper dan er zelf een bouwen. Het bleef een log heavy duty-voertuig voor het stille, trage achterland. Er ligt een diesel met 190 pk in en de techniek kan de hele wereld aan. Inschakelbare vierwielaandrijving spreekt vanzelf. Dit zijn de auto’s waar IS de goddelozen mee bestrijdt. Hij kan snel, maar liever ramt hij stapvoets kolossaal door deuren die voor anderen gesloten blijven, dwars door de hemelpoort naar de natuur.

Thuis begin ik RAG te vertonen, Radicaal Asfaltmijdend Gedrag. Het is de plattelandskwaal die je oploopt als je te lang weg bent uit het westen. Bij mij manifesteerden de symptomen zich na tien jaar Drenthe. Op weg naar huis begon ik eerst de snelweg te omzeilen, die me op de zenuwen begon te werken. Niet langer verliet ik de A28 pas bij Assen, maar dertig kilometer eerder voor de zen-rit binnendoor over de provinciale wegen in een steeds roerlozer landschap. Vervolgens ging ik zelfs de openbare wegen mijden. Waar het kan voer ik een X-klasse over de zandpaden naar huis of naar de supermarkt in Roden. Tempo twintig, raampjes open, de tevreden dieselknor als de rurale soundtrack bij de stilte. Van oer-Drent en oermuzikant Daniël Lohues las ik een column over zwerfrijden, term van mij. „Waar ik heen ga? Geen idee. Zomaar een stukje rijden.” Dát. Soms stop ik middenin het niemandsland op onverharde plekken die geen SUV bereikt. Ik hoor de vogels fluiten. De leren bekleding, maat en kunnen van het multimediasysteem, het nodeloos versjiekte dashboard dat de laatste sporen Nissan-stijlloosheid met glans heeft uitgewist – ze interesseren me geen donder meer. Ik wil de auto die me hier brengt in het tempo dat mijn ziel kan hebben.

Urban landjepik

Ik rijd met hem naar het Concertgebouw. Het opbergen van vijf meter veertig pure onverzettelijkheid in een niet op hem begroot parkeervak wordt een memorabel stukje urban landjepik. Maar niemand kijkt van je op, want in Amsterdam-Zuid zijn alle vreemden aannemers die de hunk uithangen met bedrijfsvervoer van dit kaliber. Op naar de oude David Zinman met de Achtste symfonie van Bruckner. Hij snapt er weinig van. Zo’n symfonie is een groot bergmassief. Zinman dirigeert als een stadsmens. Hij bestuurt dat kunstwerk als een taxi in de spits, oplettend maar nerveuzig manoeuvrerend. De innerlijke rust voor zo’n gewijd adagio vindt hij nergens. Zijn dramatische hoogtepunten zijn industriële gevaarten van staal, steen en ijzer. En vanaf die toppen staart geen dichter zwijgend in de diepte.

Lees ook: Knuffelstoer: schattig, maar géén truttenauto

De gedachten glijden naar mijn plattelandspickup. Ik maakte eens de wandeling van Bruckners geboortehuis in Ansfelden naar het acht kilometer verderop gelegen klooster van Sankt-Florian waar hij werd opgeleid. Daar zag ik hoe dat milde Oostenrijkse heuvelland een kind had leren componeren. De langzame, elkaar overlappende golven van de heuvelruggen werden zijn model voor het symfonische parcours, die trage, vrij zwevende stapeling van hooggestemde bogen. Alle echte muziek is de natuur waarin de maker opgaat. Bruckner is voor zwerfrijders. Wegwezen hier. Met 140 trap ik terug naar Drenthe.

Heb ik daar 190 pk nodig? Meer dan je denkt. Ik kan de viskar in het dorp trekken. Ik kan tot 3.500 kilo caravan of tandemasser slepen. Ik kan de takken in mijn tuin zo in de laadbak flikkeren, de huisraad voor een kind naar een studentenhol verplaatsen. Kon dat maar elke dag. Ik zou me nuttig voelen in de auto die door idioten in 020 wordt misbruikt als bpm-vrij machtsvertoon. Had ik hem maar. Ik zou een cowboyhoed aanschaffen, een stukje Lohues draaien en gelukkig zijn.

    • Bas van Putten