Recensie

Kalvertoren is nog altijd geen passage

Architectuur

Door onze redacteur Bernard Hulsman

Amsterdam. Bijna elke grote Europese stad heeft wel een 19de-eeuwse passage. Parijs, de hoofdstad van de 19de eeuw, heeft zelfs vele tientallen doorgangen met glazen daken dwars door bouwblokken heen. Veel hiervan leiden nu een kommervol bestaan en zijn vervallen. Maar in Brussel, Milaan en Napels behoren de grote 19de-eeuwse passages nog altijd tot de voornaamste attracties van de oude binnensteden.

In Nederland heeft Den Haag een mooie passage die een paar jaar geleden werd gerestaureerd – en toen helaas ook een afgrijselijk verlengstuk van de Zwitserse architect Bernard Tschumi kreeg. Maar in Amsterdam heeft de 19de eeuw geen passage nagelaten. Pas in de 21ste eeuw kreeg de hoofdstad iets dat op een passage lijkt. Twee jaar geleden opende, tussen Damrak en Nieuwendijk, de nieuwe Beurspassage. Die heeft weliswaar geen glazen dak dat zorgt voor de speciale niet-binnen-maar-ook-niet-buitensfeer van passages maar wel een vrolijk stemmend plafond met een kleurig mozaïek met vissen, waterplanten, fietswrakken en andere dingen in de Amsterdamse grachten. Onlangs kreeg Amsterdam een tweede passage: de tweearmige Kalverpassage die de Kalverstraat verbindt met de 17de-eeuwse poort van het verdwenen rasphuis aan de Heiligeweg en het Singel. De Kalverpassage is een verbouwing van de Kalvertoren, het winkelcentrum met drie ingangen dat naar een ontwerp van architect Pi de Bruijn in de tweede helft van de jaren negentig werd gebouwd. De Bruijn, bekend van onder meer de uitbreiding van het Tweede Kamergebouw in Den Haag in 1992, had er een curieus postmodern mengelmoesje van gemaakt. De gevels aan de Kalverstraat en aan het Singel gaf hij, met dakranden en verticale ramen, een min of meer klassiek Amsterdams aanzien. Maar de naamgever van het centrum, de Kalvertoren in het midden van het gebouw, werd met een assemblage van uitkragende en scheve vormen een milde vorm van deconstructivisme, de architectuurmode van twintig jaar geleden. De binnenruimtes van het winkelcentrum zelf weken met hun grote glazen winkelpuien en keramische tegels op de vloer niet af van de anonieme, steriele winkelcentrumarchitectuur die toen in Nederland in zwang was.

De eerste tien jaar lang was de Kalvertoren een succes. Maar na 2007 ging de loop eruit en kwamen er steeds meer winkelruimtes leeg te staan. In 2014 kocht de Kroonenburg groep de Kalvertoren en zette opnieuw Pi de Bruijn aan het werk om de Kalvertoren te veranderen in de Kalverpassage. De Bruijn heeft vooral de ingangen en de binnenzijde veranderd. Vooral de ingang aan de Kalverstraat is veel groter en, met twee kloeke zuilen, monumentaler geworden. De akelige badkamertegels op de vloeren zijn vervangen door ruw, beige natuursteen. Samen met de nieuwe, gebogen winkelpuien zorgen ze voor een warmer interieur dan voorheen.

Hoewel uit de mode, is de Kalvertoren vrijwel onveranderd gebleven. Bovenin zit nog altijd een café vanwaar de bezoekers een prachtig uitzicht rondom hebben op het daklandschap van Amsterdam. Als extra attracties heeft de eigenaar van de Klaverpassage drie kunstwerken neergezet in de armen van de passage, waaronder een opeenstapeling van met goudverf beschilderde fietsen van de Chinese kunstenaar Ai WeiWei.

De belangrijkste toevoegingen zijn de drie lichtplafonds die achter de drie ingangen hangen. Naar een ontwerp van de kunstenares Sigrid Calon zijn ze opgebouwd uit driehoeken. Computergestuurde led-lichten in verschillende kleuren zorgen ervoor dat de vele driehoeken elke dag een ander patroon hebben. Ongetwijfeld zijn de glazen plafonds bedoeld om het winkelcentrum meer het karakter te geven van een klassieke passage met een glazen dak.

Helaas gaan de gekleurde plafonds enkele meters achter de ingangen abrupt over in een wit gestuct plafond met zwierige lichtlijnen. Zo moet Amsterdam blijven wachten op zijn eerste klassieke passage.

    • Bernard Hulsman