Opinie

    • Christiaan Weijts

Een sprookje

Er waren eens twee buurjongetjes die op zondag altijd beteuterd toekeken – nette kleren, handjes op de rug – bij het straatvoetbal. Op een keer besloten de aanvoerders: weet je wat, dit is niet leuk voor hen, we voetballen niet meer op zondag. Op weg naar de kerk knikten de ouders die aanvoerders toe: „Wat goed, dat jullie nu ook willen leven naar het woord van Jezus!”

Het is ramadan en op het Rijswijks Lyceum, zo lees ik in deze krant, „vermijden” ze dan „bepaalde onderwerpen zoals voortplanting en seksualiteit”. Het is ramadan en het Holland Festival vervroegt daarom een optreden met Syrische gastmusici.

Sommigen lezen hier de voortekenen in dat we weldra allemaal, met opgericht achterste, naar Mekka zullen knielen. Anderen verdedigen de aanpassingen: de doelgroep is grotendeels islamitisch, dus dan is dit praktisch en beleefd. Klinkt billijk, en de kwesties lijken te futiel voor kolomruimte, ware het niet dat ze allerlei interessante vragen oproepen die toch niet onbeantwoord mogen blijven.

Moeten we dit vaker doen voor gelovige gastmusici? En al bij één vastende Oedspeler, of pas bij acht, of dertig? Hoeveel procent van een schoolklas moet aan de ramadan meedoen voordat we de voortplantingslessen richting de Kerst verschuiven? Mogen leerlingen van andere openbare scholen dit nu ook eisen?

Ik geloof absoluut dat men die aanpassinkjes maakte in alle goedbedoelde argeloosheid. Maar dat is het hem nu juist. Een bewuste, beredeneerde keuze had ze gedwongen na te denken over al die vragen.

Wil die school werkelijk uitdragen dat seks onrein is? Op de website presenteert ze zich als ‘voor alle kinderen, met welke levensovertuiging, afkomst of godsdienst dan ook’. Mogen die nu allemaal invloed uitoefenen op het lesprogramma? (‘Mijn geloof verbiedt wiskundige formules als de -r in de maand zit.’)

Het debat van ‘VrijLinks’ deze week past in het groeiend ongemak bij links, dat de rebelse fakkels terug wil pakken waar rechts mee vandoor is gegaan. Het debat maakte duidelijk dat de tegenstelling hier eens niet tussen links en rechts gaat, maar tussen voor- en tegenstanders van een vrije, religie-neutrale openbare ruimte.

Als het merendeel van mijn straat uit kerkgangers had bestaan, was het dan wél verstandig geweest dat die ongelovige schoffies stopten met voetballen? Of hadden die van meet af aan al moeten zeggen dat de straat neutraal is? En juist daarom vrij voor alle seksen, geaardheden en religies? En wat doe je met religies die tegen die vrijheden zijn?

Zodra we hier de antwoorden op vinden, leven we misschien nog wel lang en gelukkig.

Christiaan Weijts schrijft op deze plek iedere vrijdag een column.
    • Christiaan Weijts