Column

De groeiende modegevoeligheid van de moderne Haagse besluitvorming

Deze week: riskante geopolitiek inzake MH17, vergeten nationale politiek inzake laaggeletterdheid.

Ofwel: waarom kent Den Haag zoveel modegevoeligheid?

Je kunt politici beoordelen op de debatten die ze voeren. Maar soms denk ik: je kunt ze beter beoordelen op debatten die ze niet voeren.

Deze week hadden we weer diverse gênante momentjes in de nationale vergaderzaal, waarbij Farid Azarkan (Denk) eruit sprong.

In een debat over de woningmarkt vergeleek hij minister Ollongren (Binnenlandse Zaken, D66) met een „rijdende massagesalon” op weg naar „een happy end”.

Beeldspraak in de Kamer, altijd lastig.

Dan was er Marianne Thieme, leider van de Partij voor de Dieren, die door een doeltreffend onderzoekje van EenVandaag werd betrapt dat ze zelden plenaire vergaderingen bijwoont.

Sinds november was ze bij nul debatten – zelfs niet toen haar eigen fractie een motie van wantrouwen indiende.

Vorige week had ik het op deze pagina over vijf oppositiepartijen die geregeld hun neus ophalen voor praktisch verzet tegen het kabinet (PVV, SP, 50Plus, Denk, FvD), maar hier past rectificatie: het hadden er zes (van de negen!) moeten zijn.

Thiemes verklaring maakte het er niet beter op: ze zei dat ze veel het land uit is wegens de internationalisering van het ‘dierenpartijenwezen’.

Je laat je met vijf zetels kiezen in de Kamer, en zegt vervolgens: nou kiezers, tabee maar weer, mijn werk is voorlopig over de grens.

Ook maakte het kabinet beleid bekend om mensen met schulden tegemoet te komen. Een taai en jarenlang onderschat thema waar zo’n tien procent van de bevolking mee kampt.

Vooral de CU maakte er zich sterk voor in de formatie. Al heb je critici die zeggen dat de overheid zichzelf nu ten onrechte buiten schot houdt: overheden verveelvoudigen niet-betaalde boetes in korte tijd, zodat mensen met kleine schulden in de ellende worden geduwd.

Het herinnerde me aan een ander verschijnsel dat al jaren weinig aandacht krijgt: het hoge aantal (ruim 2,5 miljoen) laaggeletterden. En het feit dat dit, ondanks de potentieel grote repercussies, buiten de grote beleidsdebatten blijft.

Wat zegt dat over ons?

Denk niet dat de Kamer nooit is aangespoord. Het was deze week Verantwoordingsdebat, over de resultaten van de vorige begroting, en dan lopen in het Kamergebouw veel mensen van de Algemene Rekenkamer rond.

Zodoende schoot me te binnen dat diezelfde Rekenkamer twee jaar terug onderzoek publiceerde (‘Aanpak van laaggeletterdheid’) waarin de vloer werd aangeveegd met de slappe aanpak van Rutte II.

Er stond, in dat steriele Rekenkamer-taaltje: „Er is een kloof tussen de omvang van het probleem en de gekozen aanpak.”

Ze bedoelden: het kabinet doet geen fractie van wat er moet gebeuren.

Voor de 2,5 miljoen laaggeletterden was toen 74 miljoen euro onderwijsgeld beschikbaar: 30 euro per persoon. De Rekenkamer kwam erop uit dat daarmee hooguit 5 procent van de doelgroep werd bereikt.

Dus: in dit land met zijn enorme rijkdom steken wij geen vinger uit naar de grofweg 15 procent (!) van de bevolking die slecht kan lezen of rekenen, en moeite heeft met formuleren die de overheid ze voorschrijft.

Je kon denken: dan zal de Kamer na dat rapport (van april 2016) wel geschrokken zijn. Niet dus: in het regeerakkoord vorig jaar verhoogde Rutte III het budget met 5 miljoen euro: 2 euro per laaggeletterde.

Maar, vroeg ik me af, hoe komt het dat dit thema niet tot de mainstream doordringt?

Tot vervelens toe hebben we het hier over identiteit - de vlag, de islam, de integratie, het Wilhelmus etc.

De traditionele politiek tobt al sinds Fortuyn in 2002 met steun voor partijen die de politieke orde omver willen werpen.

Maar niet één Nederlandse politicoloog, hoorde ik, heeft zich sindsdien de onderzoeksvraag gesteld: is er een verband tussen laaggeletterdheid en de vrijwel structurele steun voor partijen die van grote woorden en versimpeling (grenzen dicht) hun merk hebben gemaakt?

Wel maakte Marieke Buisman (Kohnstamm Instituut) in 2014 voor het Expertisecentrum Beroepsonderwijs een fraaie overzichtsstudie met veel details over de groep (tweederde is Nederlander, ruim de helft heeft werk, etc.), waarin ze constateerde dat laaggeletterden denken dat ze „weinig invloed op politiek” hebben, en „weinig vertrouwen in medemensen”.

Dus: wie het populisme effectief wil bestrijden moet vermoedelijk vergaand investeren in onderwijs en andere ontwikkelingskansen voor deze groep.

Maar dit gebeurt dus amper, en dat is weer amper onderwerp van politiek debat - zodat je maar één ding kunt concluderen: blijkbaar is de modegevoeligheid in Den Haag zo groot dat een elementair en cruciaal probleem als dit domweg wordt overgeslagen.

En met het grote verhaal van deze week, de MH17, zag je in het verleden vergelijkbare modegevoeligheid.

Nadat donderdag het bewijs voor de Russische herkomst van de Boekraket was gepresenteerd door het onderzoeksteam, moest ik denken aan de zomer van 2014, een paar weken na de ramp.

Rutte, toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Timmermans en minister Opstelten (Veiligheid en Justitie) waren erop uit gekomen dat zowel het civiele als justitiële onderzoek naar de ramp onder Nederlandse leiding zou staan.

Maar op BZ waren ambtenaren nogal beducht. In hun analyse lag het voor de hand dat bevindingen onder Nederlandse leiding konden worden vermalen zodra de geopolitieke situatie (zoiets als terrorismedreiging of het Midden-Oostenconflict) gezamenlijk Amerikaan-Russisch optreden vereiste.

Anders gezegd: vanaf het prilste begin vreesden diplomaten dat Nederland overmoedig veel hooi op de vork nam.

In het bijzonder speelde dit, hoorde ik, inzake het justitiële onderzoek. Eén bron legde me uit dat vooral Opstelten destijds gebrand was op een Nederlandse regierol. Het oud-VVD-kopstuk is met een biograaf in zee gegaan voor zijn politieke memoires, dus misschien kan hij in die context helderheid geven.

Destijds paste dit natuurlijk uitstekend bij het beeld dat dit land, na zoveel getroffenen, bereid was er alles aan te doen dat het bewijsmateriaal werd verzameld.

Het spreekwoordelijke verantwoordelijkheid nemen, zoals de gangbare politieke mode in dit soort gevallen voorschrijft. Dus in Kamerdebatten voelde niemand behoefte de scepsis op BZ aan de orde te stellen.

Hoewel het de bange vraag vergrootte of Nederland wel voldoende internationale statuur heeft om zware bevindingen inzake de Russische rol te dragen.

Na deze week, nu Rusland formeel ‘aansprakelijk’ is gesteld, zal dat eens te meer het geval zijn.

Zo komt Nederland, als gevolg van die keuze, nu in de situatie dat het op de volmaakt grillige Trump moet leunen om ongemakkelijke bevindingen over de Russen staande te houden.

Trump: de man die zelf al een jaar justitieel wordt onderzocht wegens te nauwe Russische banden. De man die het ene moment een top met Noord-Korea aankondigt, en hem daarna afzegt.

En de man die door Thierry Baudet in 2017 nog is gevraagd naar nieuw MH17-onderzoek omdat het Nederlandse ‘onafhankelijk noch overtuigend’ zou zijn.

Zo vertoonden de kleine binnenlandse politiek en de grote geopolitiek deze week een ongemakkelijke overeenkomst: dat de modegevoeligheid zo groot is geworden dat echte problemen blijven liggen, en verantwoordelijkheden worden geclaimd die vermoedelijk nooit waar te maken zijn.