Bestaat er een ideale trap waarop je niet zo makkelijk struikelt?

Wekelijks zoekt de redactie wetenschap het antwoord op een veelgestelde vraag. Deze week: Niet alle trappen zijn gelijk. Soms struikel je erover. Bestaat er een ideale trap?

Illustratie Pepijn Barnard

De voetgangersbrug is prachtig, met die stalen lijnen en bogen tegen de horizon. Maar dan die trap – met die lage en lange treden! Moet je die in twee korte stappen nemen, of één heel lange? En die wenteltrap op kantoor; wie daar iemand tegenkomt, moet klauteren op de smalle treden bij de spil – hopen dat je niet wegglijdt.

Dit soort ervaringen, waaronder ook heuse struikelpartijen, roepen de vraag op: hoe worden trappen ontworpen?

Dat gaat al generaties lang op dezelfde manier, vertelt de gepensioneerde timmerman Willem de Ruijter, die in Amsterdamse woningen vele houten trappen heeft gemaakt „met blokschaaf en zaag.” Hij toont zijn oeroude leerboek vol met tekeningen, maten, formules en normen.

De hoogte van de treden, de optrede, is ongeveer 19 cm, zegt De Ruijter: „Preciezer: tussen de 17 en 20 cm. Want je deelt de hoogte van de verdieping zo door het aantal treden dat elke tree even hoog wordt.” De lengte van de treden, de aantrede, wordt daarvan afgeleid volgens de eeuwenoude ‘Hollandse trapformule’: 2 maal optrede + 1 maal aantrede = 63 cm. Met een optrede van 19 cm is de aantrede dus 25 cm. De helling van de trap komt zo uit op 40 tot 42 graden.

De trapformule lijkt vooral te zijn ingegeven door het streven naar een trap die niet te veel ruimte inneemt en waarmee je toch redelijk makkelijk naar boven kan. „Het doelmatigst is de trap die met het minste energieverbruik bestegen kan worden”, schreef de Duitse arbeidsfysioloog Gunther Lehmann in 1933. Hij verwees daarbij naar bovenstaande vuistregel, die al lang de trappenbouw dicteert. Volgens Lehmann is traplopen „uitgesproken zware arbeid”, die – zo berekende hij later – aan energie 13,7 kcal per minuut kost – tegen 1,2 kcal in rust.

Maak je de trappen ‘luier’ dan 40 graden, dan lopen ze makkelijker; een helling van 25 tot 30 graden kost de minste energie. De trappen in nieuwe woningen in Nederland zijn recentelijk iets ‘luier’ geworden door het Bouwbesluit van 2003. „Sinds die tijd zijn alle trappen in woningbouw uitstekend beloopbaar” , meldt het Nederlands Normalisatie Instituut desgevraagd, „met als bijkomend voordeel dat er bij verhuizingen veel makkelijker meubilair via de trap te verplaatsen is.” Luiere trappen nemen wel meer vloerruimte in beslag.

Toch valt er nog een hoop te verbeteren, vindt de Belgische ergonoom Roeland Motmans, die zich veel heeft bezighouden met het ontwerp van trappen. „Mensen worden langer, maar wat langere benen betekenen voor het lopen op de trap is niet goed onderzocht.”

Wat wel is onderzocht, zeker in het Verenigd Koninkrijk, is de veiligheid. Jaarlijks sterven 500 Britten door een val van de trap en dat komt mede doordat ze struikelen over te korte treden. Hoe langer de trede, hoe minder ongevallen, leert Brits onderzoek (Contemporary Ergonomics, 2008) onder ruim 1.200 mensen. Terwijl de voeten van iedereen de afgelopen decennia zijn gegroeid, zijn de meeste treden even lang als vroeger.

Ergonomen als Motmans pleiten dan ook voor langere aantreden, die beter steun geven aan de gemiddelde mannenvoet met schoen (29 cm) en vrouwenvoet (26 cm). „In woonhuizen waar de bewoners gewend zijn aan de trap kunnen de treden korter zijn dan in drukke openbare ruimten”, zegt Motmans. De ideale aantrede voor de trap, zo leert ander Brits onderzoek, is thuis 24,5 cm, in semi-publieke ruimten (kantoren) 27 cm en in publieke ruimten 30 cm. Motmans: „Dat kost extra vloerruimte maar die investering verdien je in 7 jaar terug doordat je minder doden en gewonden krijgt.”

    • Karel Berkhout