Opinie

    • Ellen Deckwitz

Wit

Op reis word je onophoudelijk aangesproken: door taxichauffeurs, straatverkopers en soms bekruipt je dan het gevoel niet meer dan een pinautomaat op pootjes te zijn. In Indonesië was dat afgelopen maand niet anders, maar tot mijn verrassing waren het vooral vrouwen die me aanklampten, die bovendien niets van mij hoefden. Ze konden niet ophouden me te complimenteren met mijn huidskleur: ze begrepen niet dat ik zwartbruine haren heb en toch bleek ben (naast mij lijkt yoghurt gebronsd). De eerste paar keer antwoordde ik lollig dat het gewoon een kwestie is van principieel geen pigment aanmaken, tot ik besefte dat dat best racistisch klonk.

Het prijzen van mijn witheid maakte me ongemakkelijk. Ik maak deel uit van een vriendenkring waar bijna iedereen foetert op al die positieve connotaties die wit door eeuwen kolonisatie heeft verkregen. Maar de Javaanse dames die met hun bruine vingers over mijn pols wreven, haast om te kijken of-ie kleurvast was, geloofden daar geen bal van. Het was gewoon mooi, vonden ze. Veel beter dan bruin.

Die avond skypete ik met mijn zus, die zo politiek correct is als een pak Max Havelaar, en sprak er mijn afschuw over uit.

„Ik dacht dat met de dekolonisatie dit soort belachelijke denkbeelden zouden verdwijnen, maar ze lijken juist in deze voormalige kolonie hardnekkiger dan ooit”, zei ik. „In de supermarkt verkopen ze hier talloze crèmes en lotions die beloven je huid flawless white te maken. En het erge is: het is van westerse cosmeticabedrijven als Ponds en Garnier! Die spelen gewoon in op dit soort idiote witverheerlijking!”

Mijn zus was even stil en zei toen: „Had jij niet eens bruin-zonder-zon van Garnier?” „Ja”, zei ik, „hoezo?”

„Nou”, mompelde ze, „misschien gaat het hier niet om het verheerlijken van een huidskleur, maar eerder om mensen het gevoel te geven dat ze nog niet af zijn. In witte landen prijs je een bronstint aan, in zwarte een wasbleke. Dat verkoopt.”

Dat was een interessant punt. Deze albinorage hier zou dan geen gevolg zijn van een koloniaal verleden, maar van een heden waarin mensen nog steeds wordt geleerd niet blij te zijn met zichzelf. Want daar valt het meest aan te verdienen.

De volgende dag werd ik op straat weer door allerlei dames belaagd. Ze konden niet geloven dat ik zonder hulpmiddelen zo doorschijnend was en wilden per se mijn geheim weten. Een van de dames schoof haar hoofddoek een beetje op. Kijk, zei ze, en wees op het stukje gezicht dat altijd onder de doek verstopt zat en dus veel witter was. Ze wilde net zo bleek zijn als de huid die ze voor de buitenwereld verborg. Daar heb ik nog lang mee gelopen.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.

    • Ellen Deckwitz