Column

Roth en de psychiater: op de vuist met Freud

Bij de dood van Philip Roth Het romandebuut van Roth, Portnoy’s Complaint, is grotesk en zwaar over the top. Maar daar zit iets achter, volgens recensent Sebastiaan Kort.

Philip Roth voor een Joodse school in Newark. Foto Bob Peterson/Time Life Pictures/Getty Images

Als er vroeger bij een van onze buren iets te vieren viel, liep daar ook vaak een zus van mijn buurvrouw rond. Als kind vond ik al dat er rondom die vrouw iets grimmigs hing. Later in mijn jeugd, toen ik er ook nog bij mocht zitten als de drank op tafel kwam, begon ik iets meer te begrijpen van de stille dreiging waarmee ze de ruimtes vulde. Hoe meer ze dronk en hoe later het werd, hoe meer er door haar over het onderwerp ‘vroeger’ werd verteld, een vroeger waar ze met weinig plezier op terugkeek. Aan tafel streek ze haar psychotherapie in episodes uit, waarbij wij de amateur-therapeuten waren die soms een vraag stelden.

De vrouw is inmiddels overleden; tot het eind van haar leven heeft ze haar monologen afgestoken. Wie een dikke streep onder zo’n leven wil zetten, kan stellen dat ze iemand is geweest die tot aan haar dood kind is gebleven, in die zin dat het nooit een afgerond verhaal is geworden.

Is het tegenovergestelde hiervan dat wat Philip Roth deed met Portnoy’s Complaint (1969), alles wat je dwarszit er maar gewoon in z’n volledigheid uitgooien? Deels is dat inderdaad wat hij de 33-jarige Alexander Portnoy laat doen: in een alleenspraak de ramen opengooien, de vuile was over zijn Joodse komaf buiten hangen en opbiechten waar hij, briljante geest met een nu al prachtige carrière, wél naar taalt. Netjes gezegd is dat vrijheid en ongebondenheid, platter: veel vrouwen. Seks met veel vrouwen. Wilde seks met veel vrouwen. ‘Cunt crazy’ heet een van de hoofdstukken, waarin bijvoorbeeld te lezen valt hoe het voor de jonge Portnoy was om te constateren dat al die vrouwen een kut hebben. ‘Amazing! Astonishing! Still can’t get over the fantastic idea that when you are looking at a girl, you are looking at somebody who is guaranteed to have on her - a cunt!’

Plat? Niet per se, in ieder geval niet in de mal waarin Portnoys klacht aan het adres van doctor Spielvogel is gegoten. De roman is grotesk, zwaar over the top en steunt op een hysterisch genre als de mop (Portnoy begint op zeker moment zelfs over zichzelf en zijn ouders te vertellen als ‘Drie joden lopen over straat’) en is doorspekt met uitroeptekens en in kapitalen gedrukte uitroepen.

Roth zal er echt wel wat echte demonen mee hebben bestreden, zeker, maar eerder lijkt hij hier de strijd aan te binden met de toen nogal populaire Sigmund Freud. En om dat te specificeren: de ernst van diens theorie over ons getroebleerde zelf en de ernst waarmee anderen die theorie omarmden. Waar Freuds ernst zich in het midden bevindt, daar laat Roth zijn Portnoy er met extatische wapens omheen dartelen: met humor, dik aangezette schijntrauma’s en met een scherp, bijtend verstand waarmee hij Freud neerzet als een soort alternatieve dominee die je de biecht afneemt en wil weten hoe het nu écht zit. Het zit niet.

Roth heeft zich er, geheel in lijn met de eigenwijsheid van de rest van zijn oeuvre, nooit bij willen neerleggen dat Freud een punt vertegenwoordigde. Zo ver als Willem Frederik Hermans, die ooit in een interview zei dat Freud maar mooi gelijk had gehad, zou hij nooit gaan. Voor Roth is Freud een komma, iemand die mythes bouwde waar je als schrijver op door kon bouwen, in plaats van ja en amen te knikken.

Portnoys vader hoopt dat zijn zoon nu eindelijk eens een geworteld bestaan gaat leiden door te trouwen en kinderen te krijgen. Maar hij kan die hoop niet delen, hij ziet er alleen maar belemmeringen in. ‘Where are the Portnoys he dreamed of? In my nuts.’ Maar hoop is er echt wel in dit vulkanische narrenboek te vinden: de hoop dat er niet zoiets bestaat als het laatste woord.