opinie

    • Jan Donkers

Roth en de dood: de massamoord van de oude dag

Bij de dood van Philip Roth ‘Niet iedereen kan voor altijd vruchtbaar zijn’, zei Roth ten besluit van zijn schrijverschap. De aanstaande dood beheerste zijn laatste werk al, volgens recensent Jan Donkers.

Philip Roth wandelt in de bossen bij Newark. Foto Bob Peterson/The LIFE Images Collection/Getty Images

Het was een cliché in de literatuurkritiek van het eerste decennium van deze eeuw, maar daarom niet minder waar: Philip Roth schreef alsof de dood hem op de hielen zit. Acht romans in tien jaar (sommige van novelle-lengte weliswaar) en nog allemaal geschreven met hetzelfde vuur en de intensiteit die het beste van zijn werk daarvoor kenmerkte. Geschreven tussen zijn 67ste en 77ste, een leeftijd waarop veel collega’s opgedroogd lijken. Dat hij aan het eind van dat decennium aankondigde het schrijven voor gezien te houden, kwam dan ook als een verrassing – sommige van zijn bewonderaars hoopten op een desnoods wat nadruppelend coda – en het is vrij opzienbarend dat hij zich gehouden heeft aan dat besluit, zoals geformuleerd in Why Write: ‘Ik had een sterk vermoeden dat ik mijn beste werk al geschreven had en dat al het volgende inferieur zou zijn […] Niet iedereen kan voor altijd vruchtbaar zijn.’

Bij alle pogingen zijn werk na zijn dood in thema’s proberen onder te brengen lijkt me zijn fascinatie met de aanstaande dood wat onderbelicht. Roth komt in de latere interviews in zijn leven weliswaar naar voren als een man die zich harmonisch met zijn einddagen heeft verzoend (opmerkelijk, voor iemand die ooit schreef ‘old age isn’t a battle, old age is a massacre’) maar wie zijn latere oeuvre kent, ziet de dood als een telkens terugkerend en immer aanwezig thema, meer nog dan seks en de staat van zijn land. Dat lijkt me nergens beter geïllustreerd dan door twee begraafplaatsscènes in zijn romans Sabbath’s Theater (1995) en Everyman (2006), wat mij betreft hoogtepunten in zijn werk.

Mickey Sabbath, de hoofdpersoon uit de roman die zijn naam draagt, is met voorsprong het meest onsmakelijke personage dat Roth ooit heeft geschapen. Maar als we al zijn nare eigenschappen (in de #MeToo-wereld zou hij allang gevierendeeld zijn) even buiten beschouwing laten, is het gesprek met de beheerder van de begraafplaats (nadat hij tevoren, mind you, als daad van ultieme liefde op het graf van zijn geliefde Drenka heeft gemasturbeerd en gepist) van een serene waardigheid, die de dood tegelijk aanvaardt en bespot.

Nog mooier is de scène in Everyman, waar deze Elckerlyc (die nooit een naam krijgt) in zijn nadagen, wanneer hij alles om zich heen ziet wegvallen in the process of becoming less and less, een bezoek brengt aan de graven van zijn ouders, om daar een lang en huiveringwekkend ontroerend gesprek te voeren met de bejaarde zwarte doodgraver die er zijn werk staat te doen.

Deze legt hem desgevraagd alle details uit, waarom hij met een schep werkt in plaats van met een machine, hoe hij alles bedekt met namaakgras, ‘to try to make it nice for the family’. Dat de bodem van een graf vlak genoeg moet zijn om er een bed, een onderlaag, op te kunnen leggen. Zijn zoon graaft de harde stukken uit, dat kan hij op zijn leeftijd niet meer, het graven kan drie of soms wel vier uur duren. Hij vindt het goed werk. ‘Vredig. Geeft je tijd om na te denken.’ En everyman blijft kijken en geeft de man honderd dollar ‘the mustached black man who might someday soon be digging a hole for him that was flat enough at the bottom to lay a bed on’.

Als aftakelende bejaarde leek Roth zelf veel opgewekter dan deze romanfiguren. ‘Als ik ’s avonds naar bed ga’, zo vertelde hij in een recent interview in The New York Times, ‘glimlach ik en denk: „Ik heb weer een dag overleefd”. En dan is het verbazingwekkend acht uur later wakker te worden en te ontdekken dat het de ochtend van de volgende dag is, en dat ik er nog steeds ben.’

    • Jan Donkers