Rekenkamers: daklozenopvang schiet tekort

Brandbrief Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht slagen er niet in daklozen goed op te vangen, schrijven de rekenkamers van de grote steden aan de Tweede Kamer. Problemen zijn onder meer de begeleiding en het aantal opvangplekken.

Vernieuwde nachtopvang van verslaafden en daklozen in Rotterdam. Foto Evert-Jan Daniels/ANP

De vier grote steden slagen er niet in om hun daklozen goed op te vangen. Dit concluderen de rekenkamers van de vier grote steden (Amsterdam, Rotterdam, Utrecht en Den Haag) in een brandbrief die zij deze donderdag aan de Tweede Kamer sturen. Gemeenten zijn sinds 2015 wettelijk verplicht de opvang van daklozen te regelen, maar de steden slagen daar onvoldoende in, volgens de brief.

Zo is de begeleiding van daklozen (vaak uitbesteed aan zorgorganisaties) ondermaats en zijn er te weinig opvangplekken en betaalbare woningen. Verder houden steden niet in de gaten of hun aanpak effectief is. Paul Hofstra, directeur van de Rotterdamse rekenkamer en woordvoerder namens de vier rekenkamers: „Ze pompen er geld in, maar hebben geen idee of de aanpak werkt.”

De Stichting Zwerfjongeren Nederland (die opkomt voor de belangen van jongeren zonder huis) en de Federatie Opvang (landelijke brancheorganisatie van instellingen voor maatschappelijke en vrouwenopvang) noemen de bevindingen „zeer alarmerend” en „heel herkenbaar”.

Veel meer daklozen

Aanleiding voor het onderzoek van de G4-rekenkamers is het explosief toegenomen aantal daklozen in Nederland, mede veroorzaakt door de economische crisis. Tussen 2009 en 2016 steeg het aantal daklozen met 60 procent: van 17.800 naar 30.500, blijkt uit cijfers van CBS. Van hen woont bijna de helft in één van de vier grote steden. Ook in de 2018 zet de stijging door, verwacht Hofstra. Voor het onderzoek is gesproken met hulpverleners, daklozen, ambtenaren. Ook zijn beleidsstukken van de vier steden bestudeerd.

Het grootste probleem is, volgens de rekenkamers, het enorme tekort aan opvangplekken, onder meer in de nachtopvang. Als noodgreep slapen in Rotterdam en Den Haag zwangere jonge vrouwen regelmatig op een zaal met mannen en jongeren met volwassenen. Ook verblijven daklozen vaak langer dan de toegestane periode van zes weken in de nachtopvang voor ze doorstromen naar een tijdelijke woning. Hierdoor ontstaat het risico dat hun problematiek verergert, volgens de rekenkamers.

Lees ook de reportage: Eindeloos wachten, en dan weer de straat op

De ondersteuning en hulp die wordt geboden aan daklozen in de tijdelijke opvang is in de vier steden vaak een papieren tijger, volgens Hofstra. „Het intakegesprek, plan van aanpak en behandelplan staan netjes op papier, maar zodra de begeleiding start worden er fouten gemaakt”, zegt Hofstra. Daklozen in een tijdelijke woning hebben daarnaast vaak te veel verschillende contactpersonen, waardoor ze aan de aandacht ontsnappen en weer op straat belanden. Het advies van de rekenkamers: één contactpersoon per dakloze.

De rekenkamers vrezen dat het aantal daklozen stijgt als de vier steden hun beleid niet aanpassen en dat de overlast op straat zal toenemen. Volgens Rina Beers van de Federatie Opvang moeten steden meer geld investeren in opvangplekken en betaalbare woonruimtes.

Het onderzoek van de rekenkamers onderschrijft dat. Hofstra: „Dit zijn de meest kwetsbare mensen, als de steden ze niet helpen, doet niemand het.”

    • Martin Kuiper