‘Het is niet alsof wij met gifkarren rondrijden op de akkers’

Boerendag Om begrip te kweken voor hun werk, geven boeren rondleidingen. „Natuurlijk staan de koeien niet altijd buiten. Gaan jullie naar buiten als het regent?”

Een dagje Tour de Boer bij boer Rens Claassen in het Brabantse Oosteind.

Rens Claassen melkt zijn koeien zonder hun uiers aan te raken. Achter in de stal, op zijn boerderij in het Brabantse Oosteind, loopt Dora 10 zelf richting een ratelende machine: ijzer klikt dicht, smalle buizen bewegen naar haar spenen – een computer regelt de rest.

„Hoe weet jij wanneer-ie klaar is met melken”, vraagt een oudere dame met zijden sjaal. Ze staat naast Claassen bij een melkrobot. Een ventilator zoemt, vliegen plakken op de koeienhuid.

Claassen draait aan een scherm: een staafdiagram verschijnt, de teller staat op 50 procent. „Als deze vol is”, zegt hij. „Ik hoef er eigenlijk niet meer bij te zijn. Vroeger stond ik om zes uur op, nu blijf ik een uur langer liggen.” „Zo, dat is modern”, antwoordt de dame. „Dat wist ik niet.”

Het is een gesprek op de boerenbelevingsdag in de regio Oosterhout – de aftrap van het jaarlijkse seizoen zomerse rondleidingen op agrarische bedrijven. De lokale land- en tuinbouworganisatie wil mensen die niet bekend zijn met het platteland graag uitleg geven over het boerenleven.

„We merken dat er een kloof is tussen de burger en boer”, zegt organisator Gerard Donkers, die zelf lang een varkensbedrijf had. „Via de media en politiek krijgen mensen een eenzijdig beeld. Het milieu, verduurzaming, provinciale regels – de boer past zich ook aan.” De organisatie begon in 2004 met rondleidingen op een paar bedrijven, en er komen er elk jaar meer bij. Donkers: „Sinds een tijdje doen we ook rondleidingen in regio Drimmelen, hier vlakbij. Elk jaar hebben we 1.000 tot 1.500 bezoekers.”

Rubberen spenen

Bij het melkveebedrijf hangen bordjes met uitleg, vrijwilligers vertellen hoe de 110 koeien van het middelgrote bedrijf gras via hun magen herkauwen en uiteindelijk melk geven. Op het erf melken kinderen de rubberen spenen die onder uit hout gesneden koeien hangen. Verderop, tussen de landbouwmachines, bakt de organisatie pannenkoeken.

De gelegenheden waarbij mensen bij de boer kunnen kijken, worden ook wel ‘toer de boer’, ‘loeren bij de boeren’, of simpelweg ‘boerendag’ genoemd. Megastallen, mestfraude, dierenmishandeling; ook veel boeren vinden het moeilijk dat sommige mensen een negatief beeld hebben van het boerenbedrijf.

Zo richtte akkerbouwer Peter van Damme uit Biddinghuizen Boer Bewust op: een stichting die zich inzet om misverstanden en vooroordelen over de sector weg te nemen. Op de site van de stichting is te lezen hoe boeren bezig zijn met voedselveiligheid, verduurzaming en het milieu. Zo plaatst de stichting onder meer borden in het veld waarop ze duidelijk proberen te maken dat boeren bewust bezig zijn met hun bedrijf – inmiddels hebben meer dan 500 boeren zich hiervoor aangemeld.

Volgens Van Damme gaan er net als in andere bedrijfstakken weleens dingen mis in de sector, maar hebben de media en ngo’s het vaak alleen maar over die negatieve kanten, niet over de goede dingen die ook zouden gebeuren. „Wij rijden niet met gifkarren rond op de akkers. We passen ons juist aan aan de milieuregels – vaak met behulp van de modernste technologie.”

Meestal organiseren lokale landbouwbonden de open dagen, maar er zijn ook grotere evenementen opgezet door de verschillende takken binnen de agrarische sector, zoals de Campina boerderijdagen (57 melkveebedrijven, rond hemelvaart en Pinksteren), ‘Stap in de Stal’ (dertig varkensbedrijven, in de zomer) of de ‘Lekker naar de Boer’-dagen (ruim honderd biologische boerderijen, half juni). Het zijn vooral kleine en middelgrote (familie)bedrijven die meedoen.

Een van de oudste initiatieven zijn zomerse tochten waarbij dagjesmensen door het buitengebied fietsen en onderweg agrarische bedrijven bezoeken. Een daarvan kun je maken in de Twentse dorpen Wierden en Rijssen, vlakbij Almelo. „We organiseren onze fietstocht al dertig jaar en elke keer doen zo’n 2.500 mensen mee”, zegt organisator Jenny van de Wilde.

Ook zij zegt te merken dat mensen vaak een negatief beeld hebben van de sector. „Ze lezen bijvoorbeeld in de krant dat veel vee wordt geslacht. Soms kunnen boeren daar niets aan doen, ze moeten dat vanwege nieuwe Europese en regionale wetgeving”, die eisen stelt aan het aantal beesten dat boeren mogen houden.

Deze dagen zijn volgens De Wilde nodig. „Je kan niet verwachten dat mensen vanzelf begrip krijgen, we moeten zelf het initiatief nemen en ons als boeren openstellen.”

Geelbruine substantie

Op zijn boerderij in Oosteind praat boer Claassen honderduit. „Natuurlijk staan de koeien niet altijd buiten. Het ziet er mooi uit, koeien in de polder: maar gaan jullie ook naar buiten als het regent?” Bij de melkrobot kijken twee meisjes met vlechtjes hoe de machine een koe melkt. Ze hebben een puzzel met vragen over de boerderij vast en kibbelen: „Drinkt een koe twintig of veertig liter water per dag?”

Dan, uit het niets, loeit de koe. Haar staart veert op – geelbruine substantie klettert op de betonnen vloer. De meisjes gillen en Claassen lacht. „Ook de koeien moeten af en toe plassen”, zegt hij. „Net zoals jij en ik.”

Volgens wetenschappelijk onderzoek van de Wageningse universiteit hebben burgers best begrip voor de dilemma’s van agrariërs, maar dan moeten ze wel in aanraking komen met het boerenbedrijf. Birgit Boogaard, die in 2009 op het onderwerp promoveerde, zegt dat het ’t beste is als kinderen dat op jonge leeftijd doen. „En breng ze dan niet naar een kinderboerderij maar naar de echte boerderij.” Het onderzoek laat ook zien dat het geen éénrichtingsverkeer moet zijn: de boer op campagne, zeg maar. Boer en burger moeten echt met elkaar in gesprek.

De landelijke land- en tuinbouwbonden proberen daarbij te helpen, zeggen ze. Ze faciliteren de activiteiten die boeren ondernemen om in contact te treden met burgers. Ze leveren bijvoorbeeld promotiemateriaal, zoals folders en kant-en-klare speurtochten, die op de boerenbelevingsdag in Oosteind worden uitgedeeld.

Boer Claassen denkt dat het werkt. Maar, zegt hij, „ik zal eerlijk zijn: de mensen die hier komen, zijn al geïnteresseerd. De consument uit de stad – de Marianne Thieme-types – komen hier niet.” Dat is ook niet erg, vindt hij trouwens, want elk beetje begrip helpt.

De melkveehouderij is volgens Claassen al goed bezig om zo open mogelijk te zijn. Maar bij varkenshouderijen ziet hij dat helaas minder, zegt hij. Terwijl die vaak negatief in het nieuws zijn vanwege schaalvergroting: steeds meer dieren in grotere stallen. De beelden van megastallen en varkensflats bepalen volgens hem voor een belangrijk deel de beeldvorming.

Er komt een man met pet de stal binnen. Claassen laat hem de geavanceerde snufjes zien, vertelt dat hij via zijn smartphone het melkproces kan bekijken. „Zo”, zegt de man. „Dan heb je nu veel vrije tijd zeker, kan je vanaf het terras zien hoe de koeien gemolken worden.”

„Dat zou je denken”, zegt Claassen. „Maar nu deel ik mijn tijd anders in. Zo’n robot is gemakkelijk, nu ben ik vooral bezig met de gezondheid van het vee. We moeten aan allerlei wettelijke eisen voldoen.”