Eindeloos wachten, en dan weer de straat op

Daklozenopvang De opvang van daklozen in de vier grote steden schiet tekort. „Miljoenen extra” zijn volgens de lokale rekenkamers nodig.

Ex-dakloze Wim Eickholt (rechts) in gesprek met daklozen in Utrecht. Foto John van Hamond

Ben je een snurker of een kreuner? Dat is de eerste vraag, zegt Wim Eickholt, als je je aanmeldt in de nachtopvang. Het is begin 2015 als hij aanklopt bij de opvang in Utrecht, in zijn woorden „het putje”. Om diefstal te voorkomen, knoopt Eickholt (55) die nacht de veters van zijn schoenen aan het stapelbed: nummer 1, onderin, vak 31. Eickholt ‘slaapt’ dat jaar bijna drie maanden in de opvang – „je doet geen oog dicht”. Dat is twee keer zo lang dan eigenlijk hoort.

Dit gebeurt vaker in Utrecht. Daklozen verblijven te lang in de Utrechtse nachtopvang, schrijft de Utrechtse rekenkamer in een rapport dat deze donderdag verschijnt. Het is een van de kritiekpunten die de Rekenkamer heeft op het opvangbeleid in de stad. „De kwaliteit en de capaciteit van het aanbod van opvang- en woonvoorzieningen, begeleiding en dagbesteding zijn op diverse onderdelen van de keten onvoldoende”, aldus de Utrechtse rekenkamer.

Utrecht voegt zich hiermee in het rijtje van de andere drie grote steden. Het afgelopen half jaar publiceerden de rekenkamers van Amsterdam (december 2017), Den Haag (januari 2018) en Rotterdam (deze maand) al vernietigende rapporten over het opvangbeleid voor daklozen. Deze donderdag trekken de vier rekenkamers hierover samen aan de bel. Ze hebben een brandbrief gestuurd naar de Tweede Kamer en de vier gemeenteraden. Hun vrees: als de G4 nu niet ingrijpt, stijgt het aantal oud-daklozen dat weer op straat terechtkomt en neemt de overlast op straat toe.

Armoede verdiept

De Stichting Zwerfjongeren Nederland en de Federatie Opvang (landelijke brancheorganisatie van instellingen voor maatschappelijke en vrouwenopvang) noemen de bevindingen „zeer alarmerend”.

Rina Beers, beleidsadviseur van de Federatie Opvang: „Als het beleid niet meer gericht is op preventie, zoals voorkomen van huisuitzettingen en schulden, zal de armoede verdiepen.”

Aanleiding voor het onderzoek van de vier rekenkamers (op basis van beleidsstukken en gesprekken met hulpverleners, daklozen en ambtenaren) is het toenemende aantal daklozen. Tussen 2009 en 2016 is dat gegroeid van 17.800 naar 30.500, mede door de economische crisis. Ook dit jaar zet de stijging door, zegt Paul Hofstra, directeur van de Rotterdamse rekenkamer en woordvoerder namens de vier rekenkamers.

Sinds 2015 zijn gemeenten wettelijk verplicht opvang en zorg voor daklozen te regelen, maar in de vier grote steden lukt dit maar mondjesmaat. Grootste probleem: een tekort aan goede opvangplekken en tijdelijke en betaalbare woonruimte. Hierdoor stromen daklozen vanuit de nachtopvang – „een pokkenplek” aldus Hofstra – slecht door naar een tijdelijke woning. En vanuit een tijdelijke woning weer traag door naar een eigen huis. Het verergert hun situatie, zegt Hofstra.

Oud-dakloze Wim Eickholt, die inmiddels weer een huis heeft, herkent Hofstra’s verhaal: „Je wilt niet weten hoeveel mensen in de opvang eindeloos wachten op een woning en uiteindelijk afhaken door het lange wachten. Ze belanden weer op straat.”

Zuipen en snuiven

Het is niet het enige probleem in het opvangbeleid in Utrecht, zeggen enkele dakloze ‘hangmannen’ voor het oude stadhuis in Utrecht, schuin tegenover de Oudegracht. Labri (51, verslaafd aan drugs, al jaren dakloos – „geen achternaam ik heb gebroken met mijn familie”) vindt de begeleiding in de tijdelijke opvang slecht, wat de Utrechtse rekenkamer onderschrijft. Hij opent een groot blik bier, neemt een slok en zet het achter zijn nylon tasje als een politieauto voorbijrijdt. „Ik zie mensen verpieteren in de tijdelijke opvang. Ze zuipen en snuiven stiekem en doen verder de hele dag niks. Toen ze op straat woonden, zagen ze er beter uit.”

Ook is de hulpverlening en zorg voor daklozen in Utrecht te versnipperd, klinkt het, en zijn er te veel verschillende hulpverleners betrokken bij één persoon. Alex van Oort (24, vanaf zijn zeventiende af en aan dakloos): „Je vertelt hetzelfde verhaal vijf keer opnieuw aan een ander. Je voelt je die foto op dat pasje, niet een mens.”

De Federatie Opvang en de Stichting Zwerfjongeren vinden dat veel meer „maatwerk” moet worden geleverd. Rina Beers: „De veronderstelde zelfredzaamheid van de burger is er niet bij iedereen.”

Tim (24, sinds acht maanden dakloos) onderschrijft dat: „Ik lijd aan depressies.De kleinste bureaucratische handelingen zijn voor mij al een hele opgave.”

De vier rekenkamers doen een aantal aanbevelingen aan de grote steden: één contactpersoon per dakloze, betere nazorg bij daklozen die zelfstandig gaan wonen, meer opvangplekken en betaalbare woningen. En, met stip op één: zorg eerst voor een woonplek voor de dakloze en pak pas daarna de achterliggende problemen aan. Hiervoor moeten de steden „miljoenen extra” uitgeven aan hun daklozenbeleid, zegt Hofstra. „Geld mag hier geen rol spelen, het gaat om de kwetsbaarste mensen van de samenleving.”

    • Martin Kuiper