Recensie

Een ijdele sociaal-democraat

Marinus van der Goes van Naters Deze kleurrijke en heftig vloekende jonker gold jarenlang als het orakel van de sociaal-democratie in Nederland. Menig politicus ging bij hem te rade.

Marinus van der Goes van Naters, datum onbekend. Foto Vincent Mentzel

‘Godverdomme – sorry, neem me niet kwalijk – maar ik heb hier drie glazen en een Martini neergezet. Helemaal vergeten. Dat mag toch wel aan het eind van de dag? Je moet wel even vloeken om ’m open te maken, denk ik.’

Tijdens een interview, voor De Groene Amsterdammer in 2000, beantwoordde jonkheer Marinus van der Goes van Naters (1900-2005) helemaal aan het bestaande imago van de heftig vloekende aristocraat die deed alsof hij zijn adellijke titel maar onzin vond, maar die ons wel, gehuld in knickerbocker met rood geblokte kousen, ontving in zijn kapitale villa te midden van ruim zeventig familieportretten waarvan de oudste uit de vijftiende eeuw stamden. Ook gaf hij ongezouten zijn mening over de politieke beweging waarvan hij sinds 1918 deel uitmaakte en waarin hij altijd een a-typische positie innam.

Dit imago nam historica Anne-Marie Mreijen als vertrekpunt van haar biografie De Rode Jonker. Waar was zijn reputatie als eigenzinnige maar invloedrijke sociaal-democraat op gebaseerd? Wat was betekenis binnen deze beweging, en in hoeverre heeft hij dat beeld zelf gestileerd?

De keuze voor het socialisme lag in zijn milieu niet voor de hand, en de biograaf laat zien dat Van der Goes op grond van zijn statuur als gepromoveerd jurist en als gevolg van zijn sociale vaardigheden weliswaar snel omhoog klom binnen de SDAP, maar dat het contact met de ‘gewone’ partijleden vaak moeizaam was.

Ook blijkt dat hij best trots was op zijn afkomst. Hij zette zijn voorvaderen voor het grootste deel weg als ‘onbeduidende lieden’, als ‘vaatwerk’, maar gedroeg zich wel zijn leven lang als een aristocraat.

De inkijkjes in het privéleven van Van der Goes zijn helaas vrij schaars, maar soms verhelderend. Zo blijkt dat hij er tijdens zijn zestigjarig huwelijk met de door hem immer bewierookte Anneke van de Plaats geregeld buitenechtelijke relaties op na hield, en niet alleen met vrouwen. Jammer is echter dat de mannen en vrouwen die een belangrijke rol in zijn leven speelden er in deze biografie bekaaid vanaf komen. Hierdoor blijft de persoonlijkheid van Van der Goes wat vlak. In De Rode Jonker gaat het vooral over zijn politieke activiteiten, die zich uitstrekten van de Praktisch-Idealisten Associatie in zijn studentenjaren, via SDAP-commissies en het leveren van rechtsbijstand aan partijgenoten en vakbondsleden in Limburg, tot aan zijn lidmaatschap van de Tweede Kamer (van 1937 tot 1967).

Het hoogtepunt van zijn carrière was het fractievoorzitterschap van respectievelijk de SDAP en de PvdA in de jaren 1945-1951. Door zijn eigengereide optreden en ijdelheid was dit geen succes, en nadat hij in de kwestie Nieuw-Guinea uitspraken deed die door de regering-Drees en de partijleiding niet werden onderschreven, moest hij zijn functie neerleggen. Hij bleef wel aan als Kamerlid, maar zou zijn aandacht verleggen naar Europa en zich als lid van het Europees Parlement ontwikkelen tot Afrika-specialist.

Als fractievoorzitter van een regeringspartij was hij medeverantwoordelijk voor de oorlog in Indonesië, wat hem de rest van zijn leven dwars bleef zitten. Mreijen beschrijft helder welke rol hij speelde, en hoe hij later zijn straatje trachtte schoon te vegen. Toch wordt niet helemaal duidelijk waarom hij in zijn autobiografie Met en tegen de tijd (1980) en in interviews zo tekeer ging tegen premier Drees. Mreijen suggereert dat vooral afkomst, karakter en politieke stijl een rol speelden, maar die zaken hadden een lange intensieve samenwerking niet verhinderd.

Van der Goes had tal van buitenechtelijke relaties en niet alleen met vrouwen

Wat zich hier wellicht enigszins wreekt, is dat Mreijen wel volop aandacht schenkt aan de Haagse politiek, maar af en toe tekort schiet als het gaat om de verhoudingen binnen de sociaal-democratische beweging. Niet alleen worden personen waarmee Van der Goes te maken had, niet duidelijk geportretteerd, maar ook de ideologische en politieke ontwikkeling wordt al te summier beschreven. Zo suggereert Mreijen ten onrechte dat de koerswijziging van de SDAP tussen 1933 en 1937 vooral het werk was van de generatie van Van der Goes en Wiardi Beckman, terwijl iets oudere partijgenoten als Willem Banning en Koos Vorrink het ideologische veld al danig hadden omgeploegd. Ook schrijft ze dat het socialisme voor hem al vanaf het begin een kwestie van ethiek was, terwijl uit een niet door haar geraadpleegd artikel over het fascisme uit 1929 blijkt dat volgens hem de ‘economische ontwikkelingen’ de politiek voortstuwden. Op dat moment had hij dus nog geen afscheid genomen van het marxisme, wat zijn partij ook pas eind jaren dertig deed.

Marinus van der Goes van Naters was een ijdele, van zichzelf overtuigde, eigengereide maar vooral kleurrijke man, die een iets kleurrijkere biografie had verdiend. Toch vormt Mrijens boek een welkome bijdrage aan de geschiedenis van de Nederlandse sociaal-democratie, die op dit moment bijna evenzeer tot de geschiedenis lijkt te behoren als de hoofdpersoon.

    • Rob Hartmans