Opinie

Dit soort kritiek verdienen onze terrorismebestrijders niet

Dat Mark van Ostaijen de communicatie na aanslagen wegzet als: ‘Het is een verwarde man, gaat u maar slapen’, begrijpt niet.

Politie op het Johanna Westerdijkplein waar een man met een mes drie mensen heeft verwond.Foto ANP / Rob Engelaar

In de Nationale Contraterrorismestrategie 2011-2015 wees het ministerie van Justitie op de dreiging van geradicaliseerde eenlingen met onduidelijke motieven. Ze waarschuwde voor de neiging om deze daders voor gek te verklaren en hun daden af te doen als incidenten. Ik citeer: „Een dergelijke tegen het maatschappelijke systeem gerichte gewelddaad heeft door de motivatie, de symboliek van het gekozen doelwit en de bijbehorende effecten, alle karaktertrekken van een terroristische daad.”

Deze visie staat nogal haaks op het opiniestuk ‘Het is een verwarde man. Gaat u maar rustig slapen’ (NRC, 11/5), waarin socioloog Mark van Ostaijen betoogt dat de bestuurlijke reactie na de Haagse steekpartij (op Bevrijdingsdag verwondde een 31-jarige Syriër drie mensen) alles weg heeft van een „strak georkestreerde depolitiseringsstrategie”. Om terroristen niet in de kaart te spelen, zou de overheid bewust de feiten zo verdraaien dat aanslagplegers als verwarde personen de boeken in gaan.

Een opmerkelijke stelling over een land met een uiterst strenge terroristenafdeling, waarin tientallen mensen vastzitten onder sterk uitgebreide terrorismewetgeving. Opmerkelijk ook, gezien het dreigingsniveau dat Nederland al jaren communiceert: substantieel, het op één na hoogste. Het OM heeft nu zo’n vierhonderd onderzoeken lopen naar van terrorisme verdachte personen.

Van Ostaijen stelt dat onze overheid tal van terroristische aanslagen van hun politiek-ideologische karakter heeft ontdaan. Als bewijs toetst hij de aanslagen van eenlingen (Volkert van der G. op Pim Fortuyn, Mohammed B. op Theo van Gogh, Karst T. op de koninklijke familie, Erwin L. op de Gouden Koets, Bart van U. op oud-minister Borst en Tarik Z. op de NOS) aan de volgens hem gangbare definitie van terrorisme: als iemand de samenleving wil ontwrichten vanuit ideologische motieven met een actie die gericht is op meer mensen dan alleen het slachtoffer. „Alle zojuist aangehaalde voorbeelden passen in deze definitie”, aldus Van Ostaijen. „En toch houden we het zelfbeeld hoog ‘dat we in Nederland gevrijwaard zijn van aanslagen’.”

Lees ook: Geschipper met Malek F. liep fout af

Werkelijk? Hoe heeft Bart van U. met de moord op Els Borst nu precies geprobeerd de samenleving vanuit een ideologisch motief te ontwrichten? Is dat ook wat Tarik Z. beoogde? Wilde Erwin L. met het gooien van een waxinelichtjeshouder een deel van de bevolking schrik aanjagen? Hoe weet Van Ostaijen dat zo zeker? En de moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh staan toch echt te boek als politieke moord respectievelijk terroristische aanslag.

Deze rammelende argumentatie en slecht gekozen voorbeelden vertroebelen overigens zijn onderliggende punt: de definitiemacht. Meent Van Ostaijen werkelijk dat de lange arm van ‘de’ overheid zover reikt dat alle deskundigen zich klakkeloos voegen in de „strak georkestreerde depolitiseringsstrategie”?

Definitiemacht komt soms toe aan de forensische psychiaters die oordeelden dat Bart van U. psychisch ernstig ziek was en daarom gevaarlijk. Ze oordeelden overigens niet dat hij een ‘verward persoon’ was – dat is geen klinische diagnose. Definitiemacht komt soms toe aan het OM en de rechterlijke macht, als het aankomt op de vraag of een verdachte een terroristisch misdrijf ten laste wordt gelegd en daarvoor ook veroordeeld wordt. Maar bovenal ligt er definitiemacht bij media en samenleving. Zie de kritiek op de voorbarige wijze waarop de Haagse burgemeester de steekpartij koppelde aan verward gedrag, daarmee de suggestie wekkend dat een terroristisch motief uitgesloten kon worden. De oproep van Van Ostaijen dat het „tijd wordt die krampachtige definitiemacht te bekritiseren” is zodoende nogal obligaat. Alsof dat niet voortdurend gebeurt – in de wetenschap, de (sociale) media, de politiek, de samenleving.

Denkt onze overheid na over hoe haar communicatie kan uitpakken na een aanslag? Je mag het hopen

Politieke en inhoudelijke afwegingen spelen altijd een rol in discussies over terrorisme. Proberen actoren soms politieke munt te slaan uit de dreiging van terrorisme? Uiteraard. Proberen sommigen de dreiging tegen beter weten in te ontkennen of te ontkoppelen van politiek-religieuze inhoud? Jazeker. Dreigt er inflatie van het begrip ‘terrorisme’ omdat het etiket ook wordt geplakt op gebeurtenissen die op het oog minder heftig zijn, maar emotioneel zeer beladen? Ook dat. Zijn bestuurders soms te voorbarig in het uitsluiten van een aanslag? Ja. Vinden er gewelddaden door eenlingen plaats waarbij er lang gediscussieerd kan worden over de vraag of er een politiek-ideologische motivatie in het spel was? Nou en of. Denk aan de door vrouwenhaat gemotiveerde aanslag in Toronto. Politiek-ideologisch gemotiveerd of niet? Maatschappij ontwrichtend bedoeld? Gericht op het schrik aanjagen van een deel van de bevolking? Discussie alom. Zo ook de kritiek op het begrip dat bestuurders in de mond nemen: verward of terrorist.

Lees ook: Over het gevaar van Malek was de politie getipt

Denkt onze overheid na over hoe haar communicatie kan uitpakken na een aanslag? Je mag het hopen. Maar dat is toch echt iets anders dan een „strak georkestreerde depolitiseringsstrategie” waarin terrorisme wordt verdoezeld om de schijn op te houden dat Nederland veiliger is dan omringende landen. Het is aan de wetenschap om deze complexiteit nuchter, feitelijk en goed onderbouwd te analyseren en te duiden, niet om die complexiteit te reduceren tot een simplificerende, matig onderbouwde verklaring.

Bestuurssocioloog Mark van Ostaijen deed in zijn opiniestuk een voorspelling: „Uiteindelijk zal blijken dat er bij de Haagse Syriër geen sprake was van terrorisme. Gaat u maar rustig slapen.” Tamelijk badinerend voor het politieteam dat de klok rond werkt om te achterhalen of er wel of niet een terroristisch motief in het spel was. Bovendien suggereert zo’n bewering dat de politie niet onafhankelijk en professioneel werkt. Laat ik daar dan maar eens een verwachting tegenover zetten: als uit het politieonderzoek blijkt dat bij de steekpartij een terroristisch motief in het spel was, dan zal dat ook zo naar buiten worden gebracht.