Recensie

Alles van waarde draagt een masker

Bart Koubaa Net als de hoofdpersoon krijgt Koubaa’s tiende roman telkens een ander gezicht. Warmbloedigheid let het af tegen willekeur.

Tekening Paul van der Steen

In zekere zin zijn wij ons gezicht. Kijk maar in uw paspoort, waar geen foto in te vinden is van handen, navel of ellebogen, maar wel een van uw gezicht. En neem de foto’s op LinkedIn, Facebook of een ander digitaal profiel en negen van de tien keer vind je ook daar een foto, geheel uit vrije wil geplaatst, van iemands gezicht.

Logisch dus dat de verminking van zo’n gezicht in veel gevallen leidt tot diep verdriet. Ook in de fictie. Zo slaat de hoofdpersoon in Kort Amerikaans van Jan Wolkers deuken in het kussen vanwege een groot litteken op zijn slaap en rest er niets dan een wrak van Tom Cruise als die in Vanilla Sky met een mismaakt gezicht in het ziekenhuis wakker wordt na een auto-ongeluk. Voorheen was Cruise’ personage David Aames een zondagskind dat rijk, knap en grijnzend door het leven ging. Een vriend, net door David van een vrouw beroofd, beet hem het op straat nog toe: hij kende alleen de zoete kant van het leven en niet de bittere. Maar het bittere kwam snel, in de vorm van een lullig maskertje. Het mocht niet baten, met een man met een masker wilde geen mens nog iets te maken hebben.

De Vlaming Bart Koubaa (1968), inmiddels tien romans onderweg, is er de auteur wel naar om zo’n wetmatigheid te torpederen. Hij zadelt zijn held, want zo mogen we de vreemdsoortige puber Jona Van Rein wel noemen, op met zo’n mankement. Ninja Nero is koud op weg als Jona uit een brandend huis wordt gehaald, waarna men hem in een ziekenhuis vertelt dat hij van nu af aan zal moeten leven met een gemaskerd gelaat. Als we kort daarna ook nog te lezen krijgen dat Jona’s moeder het gezin kort ervoor heeft verlaten, kán het bijna niet ellendiger voor Jona. Linken we deze situatie aan het medium van de roman, dan lijkt er voor Koubaa weinig anders te resten dan het beschrijven van de strijd die zo’n jongmens zal moeten doorstaan.

Steegjes en spelonkjes

En dat is verkeerd gedacht, want het enige wat Koubaa met deze penibele toestand lijkt te hebben willen doen, is het scheppen van een situatie waar hij zich bovenuit moet vechten. En Nero is daar dan ook het verslag van: Koubaa laat Jona zijn gezicht niet zijn, laat hem gewoon niet buigen voor de neiging van anderen om hem als gezicht te definiëren. Mind over matter dus en, voor wie er zin in heeft, een impliciete middelvinger naar de huidige ijdelheidscultus van selfie, duckface, botoxspuit en wittetandenlach, kortom naar het vleesgeworden gesmeek om blikken van goedkeuring. Jona sterkt zich in die gedachte, terugvallend op de teksten die een bevlogen leraar klassieke talen hem aanreikt. En ook die mentor – die duidelijk de sympathie van Koubaa heeft – krijgt zijn vermomming, want het grootste deel van de roman wordt hij aangeduid als ‘De Doedelzak’. Koubaa lijkt hiermee te willen zeggen dat, vrij naar Lucebert, alles van waarde een masker draagt en dat alles wat waarde vertegenwoordigt áchter het masker zit.

Dit alles is terechtgekomen in een roman die ook zelf een masker is, of een die elke keer een nieuw gezicht krijgt. Want waar de mogelijkheden voor een warmbloedige vertelling groot zijn (hou vol, jongen!), daar heeft Koubaa ervoor gekozen om voortdurend steegjes, spelonkjes en nisjes in te schieten waar de arme lezer aan duiding of omarming niet toekomt. Zo is zijn weergave van Jona’s fling met een lerares van zijn middelbare school enerzijds innig en doorvoeld, maar op andere momenten weer zo stereotiep ondeugend dat je ze niet anders kunt lezen dan als een ode aan de komisch-erotische Amerikaanse highschoolfilms uit de jaren tachtig.

Of neem het vervolg van Jona’s levenswandel, waarin hij dienst neemt in het leger: dat is maar met de grootst mogelijke moeite te verbinden aan dat eerste ‘traumatische’ deel. Daarna wordt er nog gestudeerd, Jules Verne geciteerd, wordt er het eenmanstijdschrift De Gouden Lotus opgericht en ontwikkelt Jona zich tot een talentvol atleet die in 1996 blootsvoets en met een (gesponsord!) maskertje een medaille haalt op de Olympische Spelen in Atlanta.

Zoals Jona de atleten achter zich laat, is de roman ook niet bij te benen

Willekeur alom

Het zijn doldwaze ontwikkelingen en zoals Jona de meeste andere atleten ver achter zich laat, is de roman waarin hij terecht is gekomen ook niet bij te benen. Het is willekeur alom, het is een gerecht bakken van wat je op een supermarkt-dichte feestdag nog allemaal in de voorraadkast kunt vinden, ingrediënten in een pan gooiend die nog nooit met elkaar in een pan gelegen hebben. Als er al iets aan eenheid in te vinden, iets van samenhang, dan is het de postmoderne boodschap dat niet iets is wat het lijkt.

Toch? Op de avond waarop Jona zijn middelbare school verlaat betreedt iemand het podium. ‘Er volgde een speech over de oerknal, die volgens de spreker geluidloos moet zijn geweest.’ Het woord ‘oerknal’ als masker van het eigenlijke, stille verschijnsel. Of is zo’n zin eerder Koubaa’s aanmoediging om je in de zaken te verdiepen om erachter te komen hoe de boel écht in elkaar zit? Je blijft iemand die naar een figuur als Batman of Superman kijkt: gebiologeerd, maar niet bij machte de ware identiteit te achterhalen.

    • Sebastiaan Kort