Wat we nu nog van ’68 kunnen leren

Boek Herbert Marcuse, een van de drijvende krachten achter ‘mei 1968’, schreef hoe je effectief in opstand kon komen. Ook nu leerzaam, want ook nu is het de vraag hoe doeltreffende oppositie georganiseerd kan worden.

Posters uit mei 1968, gemaakt door het studentencollectief Atelier Populaire: ‘Wij drogeren jullie!’

Terwijl hun medestudenten in mei 1968 de collegezalen van Parijs barricadeerden, ontwierpen de kunststudenten in de ateliers van de École des Beaux-Arts duizenden posters om de geest van ’68 te propageren. Dag en nacht werd door het collectief Atelier Populaire geschetst en geprint. De antikapitalistische boodschap werd verbeeld door gebalde vuisten, die van individuele vrijheid boven beklemmende burgerlijke conventies door een kudde schapen met de blik naar de grond. De eenzijdige berichtgeving van de media in 1968 wordt op de korrel genomen met een silhouet van een gebukte mens, beschreven met de woorden television, radio en mouton, met daarboven ‘On vous intoxique!’ – Wij drogeren jullie!

Dat de boodschap van het Atelier Populaire niet het revolutionaire effect heeft gesorteerd waar het collectief op hoopte, blijkt vijftig jaar later, nu hun posters worden geveild bij galerieën over de hele wereld. Meeliftend op de zweem van nostalgie die dit jubileumjaar omgeeft lopen de prijzen op tot 2.200 euro.

De tekenaars hadden het kunnen bevroeden: Herbert Marcuse, één van de geestelijk vaders van het studentenprotest, schrijft in De eendimensionale mens (1964) hoe effectief de verzorgingsstaat iedere vorm van protest onschadelijk weet te maken. De agitprop van de soixante-huitards is een luxe verzamelobject geworden: wat een aanklacht was in 1968, is nu een kunstwerkje voor boven de bank.

Marcuse werd in 1898 geboren in Berlijn. Na studie bij Husserl en Heidegger was hij korte tijd in Frankfurt, en kwam zo bij de Frankfurter Schule van Theodor Adorno en Max Horkheimer. Begin jaren dertig trok hij naar de Verenigde Staten, waar hij altijd is gebleven. Marcuse bekritiseerde het Sovjet-marxisme, maar bleef ook zoeken naar een interpretatie van Marx die niet uit zou monden in massamoord. Met onder meer De eendimensionale mens werd hij een van de boegbeelden van nieuw links en een inspirator van het studentenprotest in 1968. Hij sprak studenten toe in Parijs en Berlijn, en deed aan zijn eigen Universiteit van Californië in San Diego actief mee aan het studentenoproer.

Marcuses eendimensionale mens is de mens in de volstrekt kwantificeerbare samenleving, waar rationaliteit een economische afweging is tussen kosten en baten. Het zijn de multinationals die die eendimensionale mens aanpraten wat hij nodig heeft, politici die hem in slaap sussen met een claim op redelijkheid, de media die hem vertellen dat alles wat zich aan de andere kant van de grenzen afspeelt zijn zaak niet is.

Vijftig jaar geleden trokken jeugdige babyboomers vol idealen ten strijde tegen het oude establishment. Wat is er over van hun idealen? Hoe vormden zij de kunst en cultuur? En waarom zit het revolutionair elan anno 2018 vooral op rechts? Deze maand besteedt NRC aandacht aan revolutiejaar 1968.

Lees de verhalen via nrc.nl/1968.

Weg met de gezapige redelijkheid!

De achtenzestiger wilde af van die gezapige redelijkheid, af ook van het idee dat wat er in Biafra of Vietnam gebeurde niet iedereen aangaat, en van de warme banden tussen grote bedrijven en overheden. En na een paar decennia in de luwte zijn de teksten van Herbert Marcuse nu weer in zwang: veel van de cultuurkritiek op wat Marcuse de ‘hoog-industriële samenleving’ noemt snijdt ook nu nog hout. Als Marcuse wijst op de tactiek van politici om de kiezer voor te houden dat het in ieders belang is dat grote bedrijven winst maken in óns land, dan leest dat alsof hij het over Mark Rutte en zijn dividendbelasting heeft. Wanneer hij schrijft dat een kwartiertje zenboeddhisme per dag net zozeer deel uitmaakt van het leven van de brave werknemer als een gezond dieet, had hij het net zo goed kunnen hebben over de hausse van burn-outs nu en de mindfulness-industrie die daartegen in het geweer wordt gebracht.

Volgens Marcuse zorgt de staat ervoor dat we er allemaal net iets te warmpjes bij zitten om serieuze alternatieven te overwegen. Onder het mom van wetenschappelijkheid en redelijkheid is alles een kwestie van begroting – waarin Marcuse in de daaropvolgende decennia alleen maar meer gelijk kreeg toen Margaret Thatcher zelf verkondigde dat er „geen alternatief” was voor haar neoliberale beleid.

In De eendimensionale mens klinkt het alsof politiek, wetenschap, bedrijfsleven en media onder een kapitalistisch hoedje spelen om de burger eronder te houden. Complottheorieën klinken nu, vijftig jaar later, vooral van rechterzijde, die de kiezer voorhoudt dat linkse media, wetenschap en politiek erop uit zijn ons een rad voor ogen te draaien. Zo’n overkoepelend complot lijkt vooral een zware overschatting van de capaciteiten van alle betrokken instanties. Dat neemt niet weg dat aan dat complotdenken een intuïtie ten grondslag ligt die Marcuse nog steeds de moeite van het lezen waard maakt: wat als we het allemaal bij het verkeerde eind hebben? In hoeverre kunnen we onafhankelijk oordelen? Wat is de goede samenleving, en hoe vrij valt daarover na te denken als je steevast beleidsplannen van middle-of-the-road-politici te horen krijgt?

Technische vooruitgang

De eendimensionaliteit van de twintigste eeuw komt volgens Marcuse voort uit de moderne wetenschap en technologie. De mens creëerde Marcuses ‘hoog-industriële samenleving’ om de natuur te beheersen en het leven makkelijker te maken, maar versimpelde daarmee ook de eigen rationaliteit tot die van input en output en het leven tot een cyclus van productie en consumptie. Hij schrijft: „De technische vooruitgang, ontwikkeld tot een volledig systeem van overheersing en coördinatie, schept levensvormen (en machtsvormen) die schijnbaar de aan het systeem tegengestelde krachten verzoenen en ieder protest in naam van de historische verwachtingen m.b.t. het vrij zijn van zware arbeid en overheersing doen verstommen of weerleggen. De hedendaagse samenleving schijnt in staat te zijn sociale omwentelingen in te kapselen – kwalitatieve veranderingen die essentieel andere instituties […], en nieuwe bestaanswijzen voor de mens zouden creëren.”

Het systeem van overheersing en coördinatie dat de technische vooruitgang óns heeft gegeven, is natuurlijk het internet van Mark Zuckerberg, Jeff Bezos en Larry Page, en de techniek van Steve Jobs. Waar het Atelier Populaire in 1968 over de tv schreef ‘On vous intoxique’, maakt nu ieder klassiek medium zich zorgen over de misleidende nieuwsvoorziening van Facebook. En de kwantificeerbaarheid van alles kan alleen maar toenemen zolang de databerg groeit, en koop-, stem- en dategedrag een kwestie van statistiek worden.

Voor ieders karretje

Marcuse schreef ook hoe technologie altijd als iets neutraals is beschouwd. Daarmee voorzag hij het verweer van Mark Zuckerberg die ook graag zegt dat hij slechts een platform bouwde en dat zijn gebruikers er vervolgens mee aan de haal zijn gegaan. Maar juist die neutraliteit, schrijft Marcuse, maakt de technologie een instrument dat voor ieders karretje kan worden gespannen en ontbeert daardoor iedere ethische dimensie. Dat zegt iets over degenen die haar op een voetstuk zetten.

De samenleving volgens Marcuse is een totalitaire samenleving, want zij is onderworpen aan een „economisch-technische ordening die de behoeften manipuleert door de gevestigde belangen. Zo wordt voorkomen, dat er doeltreffende oppositie tegen het geheel ontstaat.” Ook in 2018 is het de vraag hoe doeltreffende oppositie georganiseerd kan worden. Net als in 1968 klinkt de roep om verandering sterk, en net als toen zijn de doelen afhankelijk van plek en privileges. Ook nu gaat het nu om gelijke rechten voor alle bevolkingsgroepen, voor meer economische gelijkheid en een minder door winst gedreven uitbuiting van de aarde.

Het is de vraag hoe die doelen langdurig worden verwerkelijkt en niet in een museum belanden. In de 2014 speelde modepatriarch Karl Lagerfeld handig in op de tijdgeest door zijn modeshow in de vorm van een demonstratie voor vrouwenrechten te gieten. De modellen hadden leuke kleren aan én droegen ook nog spandoeken met daarop teksten als ‘Make fashion not war’ en ‘History is her story’. Activisme als een accessoire als een Chanel-tas. Vijftig jaar na het verschijnen van De eendimensionale mens weet je: zó maak je activisme onschadelijk.

Herbert Marcuse:De eendimensionale mens. Studies over de ideologie van de hoog-industriële samenleving. Uitgeverij Paul Brand i.s.m. Werkgroep 2000.

    • Nynke van Verschuer