Opinie

    • Marcel van Roosmalen

Kermis

In de Vomar kwamen we steeds meer Amsterdam tegen, de meesten kende ik van gezicht. Maar ook mijn uitgever, die er een zak houtblokken kocht. Ze hadden zonder uitzondering een huisje voor erbij gekocht. En tegen ons maar hoog opgeven over de romantiek van het platteland.

„Ik werd wakker van beesten”, zei een man die een strooien hoed op de verbrande kop had gezet en die ik in een vorig leven weleens in café De Pels of De Zwart moet hebben gesproken. Tegen zijn vrouw: „Hoe heten die dingen?”

Zijn vrouw, twee flessen Perrier in de hand: „Vogels.”

Hij: „Wij vinden het hier heerlijk!”

Zou ik ook vinden als ik ieder moment weer terug naar mijn andere huis aan de gracht zou kunnen. Alleen de lusten, niet de lasten.

In het dorp werden deze mensen (en wij ook) als de eerste uitlopers van de naderende olievlek gezien, de mensen voor wie in Amsterdam geen plaats meer is, moeten tenslotte ergens heen. Tot het zover is houden ze zich angstvallig vast aan hun wortels: kermis en zuipen met Pinksteren, een feest dat hier in verband met een overwinning op de Spanjaarden in de Tachtigjarige Oorlog een dag of wat langer duurt.

Een dorp verderop waren een draaimolen, een zweefmolen en wat vreetkramen en ’s avonds kwam Dries Roelvink, columnist bij Radio 1 en Story, er vanaf een vlonder in het water zijn bekendste repertoire zingen. Wij er ’s middags naartoe, want wij vinden onze kinderen nog te jong voor Dries Roelvink.

Het zag er nostalgisch uit, maar een rondje in de draaimolen kostte gewoon twee euro. Omdat de oudste (2) tijdens het draaien steeds van voertuig switchte bood de kermisman die over de attractie ging aan dat ik gratis mocht meedraaien.

Ik moest maar in de brandweerwagen gaan zitten.

De dorpelingen stonden erbij en keken ernaar.

Elke keer als ik voorbij kwam werd er gejuicht. Toen we waren uitgedraaid en ik me eruit wurmde zei een man: „Een draaimolen, dat hebben jullie zeker niet in Amsterdam, hè?”

De dag na Pinksteren: een vrouw in de Vomar die me ter hoogte van de yoghurt aanstaart en afkeurend het hoofd schudt.

Ik vroeg: „Is er iets mevrouw?”

„Ja,” zei ze na enig nadenken, „ik heb u wel gezien.”

Ik dacht dat ze me misschien kende van mijn stukjes uit de krant of dat ze ook import was en me in Amsterdam een keer had zien zitten op een barkruk, maar dat was niet zo.

„Met je dikke hol in die brandweerwagen”, zei ze.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.

    • Marcel van Roosmalen