In de stad worden veel dieren kleiner

Evolutie

Het stadsklimaat stuurt de evolutie van verschillende diersoorten in een andere richting, ontdekten Belgische biologen.

Watervlo. In de stad wordt deze soort steeds kleiner, waarschijnlijk door de hogere omgevingstemperatuur. Foto Joachim Mercheay

De snuitkever, de watervlo, de spin: allemaal komen ze voor in de stad. En allemaal worden ze door hun leven binnen de bebouwde kom kleiner, schrijven Belgische biologen onder leiding van de Leuvense ecoloog Thomas Merckx deze week in Nature.

Van tien taxonomische groepen (in totaal ruim zevenhonderd soorten) onderzochten de wetenschappers de lichaamsomvang, in stedelijke en niet-stedelijke gebieden in België (negen steden, negen randsteden en negen plekken op het platteland). Voor vier groepen (de grondspinnen, de grondkevers, de snuitkevers en de watervlooien) was een significante afname in grootte zichtbaar: rond de 20 procent voor de kevers en de spinnen en ruim 40 procent voor de watervlooien. Ook webwevende spinnen en mosselkreeftjes zijn in de stad vaak iets kleiner, maar het verschil met hun verwanten op het platteland was te klein om het betekenisvol te noemen. Een andere groep (die van microscopisch kleine, in het water levende raderdiertjes) vertoonde noch een toename, noch een afname.

Dat insecten kleiner worden in steden, is niet onverwacht, schrijven de biologen: steden zijn zogeheten ‘hitte-eilanden’ waar de temperatuur gemiddeld een paar graden hoger ligt dan buiten de stad. En voor koudbloedige dieren betekent een toenemende temperatuur in de regel een afname in omvang: de stofwisseling verloopt sneller in een warmere omgeving. Een groter lichaam is dan nadelig: daar moet te veel voedsel in.

Opvallend is dat soorten van drie van de onderzochte groepen (vlinders, nachtvlinders en ‘rechtvleugeligen’, ofwel sprinkhanen en krekels) juist een grotere omvang hebben in de stad. Dat heeft te maken met een ander aspect van het stedelijke leven, aldus de onderzoekers: de grotere fragmentatie van leefgebieden. Soorten die zich makkelijk kunnen verplaatsen over relatief grote afstanden omdat ze vleugels hebben, zullen minder last hebben van die versnippering. En juist bij die soorten zijn de grotere individuen in het voordeel: grotere vleugels vergemakkelijken het vliegen.

Deze twee tegenovergestelde trends (kleine, minder mobiele insecten worden in de stad nog kleiner; vleugelbezitters worden groter) kunnen ingrijpende gevolgen hebben voor stedelijke ecosystemen, aldus de biologen. Zo is al aangetoond dat kleinere watervlooien minder effectief zijn in het tegengaan van algenbloei dan grote watervlooien. En grotere vlinders hebben over het algemeen een langere tong, en zullen dus relatief succesvol zijn in het bestuiven van bloemen met diepe bloemkronen.

    • Gemma Venhuizen